|
|
|
Jo's Radio Verzameling
Introductie
Mag ik me even voorstellen, ik ben Jo
Bleijlevens en woon in het uiterste zuiden des lands. Mijn
interesse in oude radios is niet zo verwonderlijk als je
bedenkt dat mijn achtergrond electrotechniek is en de focus ligt op
electronica aangevuld met enige kennis van
de fijnmechanica. Als klein jochie van 6 jaar sloopte ik alles
wat afgedankt werd om te zien hoe het "ding" werkte
en in elkaar gestoken was. Zo heb ik, zelfs toen ik wat
ouder was, een Philips radio model 2531 met bijbehorende
luidspreker model 2019 volledig gesloopt. Ik vond die rode
hoefijzermagneet zo "aantrekkelijk". Op die manier zijn
tientallen oude radios en televisies bij mij onder de
slopershamer terecht gekomen.
Het was een vreemde gewaarwording dat ik op veel latere leeftijd toch wroeging
kreeg van ditnostalgisch slopersgedrag.
Aanleiding hiertoe was dat ik op
internet diverse foto's van oude radios zag die mij heel
bekend voorkwamen. Ik ben toen verwoed beginnen te verzamelen
omdat ik de buizen in die radios weer wilde zien gloeien en de
radios weer wilde horen spelen. Ik ben toen in 2006 lid van
de NVHR geworden, dit om de diverse ruilbeurzen te kunnen
bezoeken om zodoende onderdelen en oude radios te ruilen of te
kopen. De NVHR, opgericht in 1977, is de Nederlandse Vereniging voor de Historie
van de Radio.
Momenteel heb ik een aantal toestellen, hoofdzakelijk Philips,
die ik in de afgelopen jaren grondig heb gerestaureerd en die vrij aardig
spelen. Dit renovatie project heeft geresulteerd in een
acceptabele geluidskwaliteit van alle radios.
Voor het slagen van dit project dank ik vooral Jan Post uit Australie en Ben Dijkman
en Corrien Maas uit Nederland voor het leveren van de onderdelen om deze
verzameling radios compleet te maken. Corrien Maas leverde het
prachtig handgeweven luidsprekerdoek dat iedere radio zijn eigen
uiterlijk geeft. Zo dank ik ook mijn oud Medtronic collega Volkert Zeijlemaker
uit Landgraaf die mij een Schaaper zelfbouwradio schonk.
Dit "geval" stond bij de buren bij het grof vuil zei hij en
vroeg of ik er wat mee kon doen. Ik nam hem mee naar huis in de
veronderstelling hem te slopen voor de onderdelen. Ik wilde echter
eerst weten wat dat ding eigenlijk was omdat ik het
vermoeden had dat het niet om een gewone zelfbouwradio ging.
Zoals ik al eerder zij was ik inmiddels lid geworden van de
NVHR en benaderde derhalve Wim Stuiver of hij mij aan een FM voorzetunit voor de
BX410A radio van Philips kon helpen. Terloops stelde ik hem, tijdens de e-mail
correspondentie, de vraag of hij het apparaat op de
aangehechte foto kon thuisbrengen. Hij vertelde mij toen dat
ik de trotse bezitter was van een originele
Erik Schaaper Zelfbouwradio uit de jaren 1930-1934.
Erik Schaaper had destijds een fabriekje in radio-onderdelen
en bouwdozen in Hilversum.
In het eerste hoodstuk nu zal ik een overzicht geven van mijn radioverzameling
gevolgd door een hoofdstuk met nuttige tips die kunnen helpen
bij het restaureren van oude radios teneinde ze weer dat nostalgisch geluid te laten voortbrengen. In het derde en
het vierde hoofdstuk zal ik proberen een historisch overzicht te geven
van de technologische ontwikkelingen vanaf de primitieve
radiobuis tot aan de hedendaagse semiconductor chip die,
zoals iedereen wellicht weet, volgepropt zit met miljoenen
transistoren die in feite de opvolgers zijn van de electronenbuizen.
Hoofdstuk
1 Radio verzameling
1.1
Philips Radios (
Klik op de figuur om hem vergroot weer te geven )
 |
 |
|
 |
 |
|
836A Bouwjaar
1934
Buizen: E455, E462, E499, E443H, 1823
|
V6A Bouwjaar 1937
Buizen: AK2, AF3, ABC1, AL4, AZ1
|
 |
 |
|
890A Bouwjaar 1937
Buizen:
AF3, AK2, ABC1, ABC1, AL4, AL4,
AM1,
AZ1, 1823
|
 |
|
 |
|
890A Stationsschaal
|
890A
Afstemindicator (Katte oog)
|
 |
 |
|
650A Bouwjaar
1938
Buizen: EK2, EF8, EF9, EBL1, EM1, AZ1
|
 |
 |
|
 |
 |
|
905X Bouwjaar 1940
Buizen: EF8, ECH3, EF9, EFM1, EBL1, AZ1 |
BX462A Bouwjaar 1946
Buizen: ECH21, ECH21, EBL21, AZ1 |
 |
 |
|
 |
 |
|
BX360A Bouwjaar 1947
Buizen: ECH4, ECH4, EBL1, AZ1 |
681X
Bouwjaar 1947
Buizen: ECH4, EF9, EBF2, EF9, EL3, EM4, AZ1
|
 |
 |
|
|
|
|
BX380A
Bouwjaar 1948
Buizen: ECH21, ECH21, EBL21, AZ1
|
|
 |
 |
|
 |
 |
|
BX373A
Bouwjaar 1948
Buizen: ECH21, ECH21, EBL21, AZ1
|
BX490A Bouwjaar 1949
Buizen: ECH21, EAF42,EAF42,
EBL21, EM34, AZ1
|
 |
 |
|
 |
 |
|
BX400A Bouwjaar 1950
Buizen: ECH42, EAF42, EBC41, EL41, AZ41
|
BX210U Bouwjaar 1951
Buizen: UCH42, UF41, UBC41, UL41, UY41
|
 |
 |
|
 |
 |
|
BX410A
Bouwjaar 1951
Buizen:
ECH42, EAF42, EBC41, EL41, AZ41,
EM34
|
BX533A
Bouwjaar 1954
Buizen:
EC92, EC92, EF85, ECH81, EF41,
EABC80, EL84, EZ80, EM34
|
 |
 |
|
 |
 |
|
B5X63A Bouwjaar 1956
Buizen: ECC85, ECH81, EF89, EF85, EABC80
EL84, EL86, EZ80, EM80
|
B5X72A Bouwjaar 1957
Buizen:
ECC85,ECH81,EF89,EF85,EABC80,EL84,EL86,
EM80,EZ80
|
 |
 |
|
 |
 |
|
B2D03A Bouwjaar
1960
Buizen: ECC85, ECH81, EF89, EABC80, EL95
|
B0X15U
Bouwjaar 1961
Buizen: UCH81, UBF80, UCL82, UY89
|
 |
 |
|
 |
 |
|
B5X14A Bouwjaar
1961
Buizen: ECC83, EAA91, ECC85, ECH81, EF89,
EBF89, EL84, EL84, EZ81, EM80
|
B5X82A
Bouwjaar 1958
Buizen: ECC85, ECH81, EF89, EF85,
EABC80, EL84, EL86, EZ80, EM84
|
1.2 Philips plaatspanningsapparaten en
gelijkrichters
 |
|
 |
|
Gelijkrichter model 1017 Bouwjaar 1929
Buis: Kwikdampgelijkrichter 1018
|
Plaatspanningsapparaat
model 372
Bouwjaar 1925
Buis: Gelijkrichter 373
|
 |
 |
|
Plaatspanningsapparaat
model 3002 Bouwjaar 1928
Buis: Gelijkrichter 1805
|
 |
 |
|
Gelijkrichter type 327
Bouwjaar 1925
Buizen:
Kwikdamp gelijkrichter 328 en
stabilisatie weerstandsbuis 329
|
1.3 Erres Radios
 |
 |
|
 |
|
|
KY509
Bouwjaar 1950
Buizen:
ECH42, EF41, EBC41, ECC40, EL41, EL41,
EM34, AZ41, AZ41,
|
KY537
Bouwjaar 1953
Buizen:
ECH81, EF85, EABC80, EC92, EL84, EM34,
EZ80,
|
1.4 Fridor Waldorp Radios
 |
 |
|
Waldorp 502 Bouwjaar 1949
Buizen: ECH21, ECH21, EBL21, AZ1 |
1.5
Belgische Radios
 |
 |
|
350A van SBR Bouwjaar 1939
Buizen: ECH3, EF9, EBL1, AZ1
|
1.6
Duitse Radios
 |
 |
|
 |
 |
|
Graetz Canzonetta 515
Bouwjaar 1957
Buizen: ECH81, EF89, EABC80, EM80, EL84
|
Nordmende Stradella
Bouwjaar 1963
Transistoren:
AF106, OC615, AF105, AF105, AF105,
AC162, AC162, AC152, AC152
|
1.7 Zelfbouw Radios
 |
 |
|
 |
|
Schaaper 1931
HF Buis:
E452T
Detector Buis: E446
Eindbuis:
E443H
Gelijkrichterbuis: 1823
|
Schaaper eenknops afstem-unit
|
1.8 Philips Tape
Recorders
 |
 |
 |
|
EL 3516
Bouwjaar 1958
Buizen: EF86, ECC83, ECL82, EM81, EZ80
|
 |
 |
 |
|
EL 3541
Bouwjaar 1961
Buizen: EF86, ECC83, ECL82, EM84, EZ80
|
 |
 |
|
|
|
|
EL 3514
Bouwjaar 1962
Buizen: ECC83, DM71, EL95
|
|
1.9 Philips TV Ontvangers
 |
 |
|
TX400U
Bouwjaar 1950
Buizen: MW22-16, 2xPY82, 9xEF80, EQ80, EL42, 2xEB91, PL83, 3xECL80,
PL81, PY80, EY51
Opm. Foto rechts
toont de werkende TX400U aangesloten op de Philips TV Service Generator GM2891/50
|
 |
 |
 |
|
TX500U
Bouwjaar 1951
Buizen:
MW31-74, 2xPY80, 9xEF80, EQ80, EL42, EB91, PL83, 3xECL80,
PL83, PY80, EY51
Opm. Foto rechts
toont de werkende TX500U
|
Hoofdstuk 2
Restauratietips voor radios
2.1 Algemeen
Deze restauratietips zijn hoofdzakelijk
bedoeld voor het technisch gedeelte van de radio. Er wordt van
uitgegaan dat de kast en het chassis grondig gereinigd zijn en niet
beschadigd zijn. Mocht dit
niet het geval zijn dan kan wat de kast betreft, als ze erg bekrast is, opnieuw
gepolitoerd worden hetgeen echter een tijdrovende bezigheid is. Voor
diegene die geen geduld hebben kan de kast behandeld worden met vloerlak hetgeen ook een erg mooi
resultaat geeft.
Voorwaarde voor succes is wel dat de kast eerst helemaal glad geschuurd
wordt, eerst met 180 korrelig schuurpapier, dan met 220 en 400 en als
laatste met 600 of zelfs 1200 fijnkorrelig schuurpapier. Daarna
kan de kast gepolitoerd of gelakt worden.
Het chassis kan, nadat het nodige stof verwijderd is, het beste met
wasbenzine gereinigd worden. Het gebruik van "koperpoets"
wordt sterk afgeraden daar dit de cadmiumlaag van het chassis aantast
en een smerige glimmende aanblik aan het chassis geeft.
Over de stationschaal kan ik heel kort zijn: aan de achterkant (letterzijde)
nooit aankomen !! Gewoon met een katoenen doek voorzichtig het
stof afvegen en verder niets doen. Wel kan uiteraard de voorkant van
de schaal met een afwasmiddel behandeld worden maar, nogmaals, doe dit
nooit met de achterkant van de schaal. Helaas heeft mij dit al 2
blanke afstemschalen opgeleverd. Gelukkig heb ik de originele schalen via Marktplaats
weer weten te bemachtigen.
2.2 Componenten
2.2.1 Buizen
De buizen kunnen het beste eerst met een buizentester getest
worden op steilheid, gas in de buis en kortsluitingen.
Meestal is de emissie van de buis sterk achteruit gegaan waardoor de
steilheid zelfs met een factor 2 gedaald kan zijn.
Maar in de meeste gevallen maakt dit niet zo gek veel uit op de
geluidskwaliteit.
Wat vaak voorkomt is dat de buis helemaal niets meer doet, behalve dan
dat de gloeidraad brandt. Meestal is de oorzaak te vinden in een losse
aansluitdraad naar de buisvoet. Wat je dan kunt doen is de buisvoet
voorzichtig van het glas te halen door hem op 5 mm van het glas rondom
in te zagen. Nu wordt in de lengterichting van de buis in de smalle
ring die nu ontstaan is een zaagsnede gemaakt. Door een
schroevendraaier in de zaagsnede te zetten breekt de ring gemakkelijk
open en kan de rest van de buisvoet verwijderd worden. Let wel op dat
de aansluitdraden niet afbreken.
Van een afgedankte buis wordt met een diamantschijfje het glas
ingeslepen om het vacuum te verwijderen. Verwijder nu het glas, de
bruine kit en de aansluitdraden uit de buisvoet en maak de gaatjes in
de pennen open.
Nadat de aansluitdraden verlengd zijn wordt de buisvoet van de
afgedankte buis er op gezet en de draden vast gesoldeerd. Het is
handig om de aansluitdraden een verschillende lengte te geven waardoor
ze gemakkelijk door de gaatjes in de pennen gevoerd kunnen worden.
Om de buisvoet te fixeren kan deze het beste met 2 componenten lijm
rondom vastgezet worden. Let er wel op dat bij buizen met een
afschermlaag de draad die parallel zit aan de cathodedraad of aan een
extra pen deze daadwerkelijk contact maakt met de afschermlaag.
2.2.2 Weerstanden
Bepaalde typen weerstanden, vooral deze, zijn vaak zeer sterk in
waarde verlopen of zijn zelfs open gebarsten.
Vooral verlopen weerstanden die de instelling van een buis
bepalen moeten worden vervangen om de radio weer optimaal te laten
spelen.
2.2.3 Condensatoren
Electrolytische condensatoren die de spanning van de
gelijkrichterbuis moeten afvlakken zijn meestal door een te hoge
lekstroom aan vervanging toe. Daartoe wordt de felsrand van de
condensator voorzichtig open gebogen en het binnenwerk verwijderd. Na
het plaatsen van een nieuwe moderne elco wordt de felsrand weer
dichtgemaakt.
Let op de correcte polariteit van de nieuwe condensator.
De bekende zwarte teer condensatoren van Philips zijn bijna altijd in
capaciteitswaarde verlopen en kunnen een aanzienlijke lekstroom hebben.
Ik heb zelfs al lekstromen gemeten van enkele milli-Ampères bij een
testspanning van 200V.
Voor afvlakcondensatoren van de anode spanning of schermrooster
spanning is een lek van 100-200 μA toelaatbaar bij een testspanning
van 200V.
Voor koppelcondensatoren is een lek groter dan 10 μA niet toelaatbaar
daar dit de instelling van de volgende buis sterk zal beinvloeden en
wel in die zin dat de roosterspanning zal toenemen.
Moeten deze teercondensatoren toch worden vervangen ga dan als volgt
te werk:
In een pertinax koker met de juiste maat van de oude teercondensator
wordt een condensator met de juiste capaciteit en werkspanning
gemonteerd (zie foto). De aansluitdraden van
de condensator zijn van tevoren door draden van de juiste diameter
vervangen. Moderne condensatoren zijn veel kleiner en hebben derhalve
aansluitdraden met een kleinere diameter. Op de uiteinden van de
pertinax koker worden 2 delrin bussen geklemd die op de
draaibank onder een hoek van 120° zijn afgeschuind (zie
foto).
Door het geheel van een zwarte satijnen laklaag te voorzien is de
condensator niet meer van de originele condensator te onderscheiden (zie
foto).
2.2.4 Afstemcondensatoren
Maak de afstemcondensator met een fijne kwast stofvrij en zorg
ervoor dat de plaatjes op het draaidaar gedeelte van de
afstemcondensator niet worden verbogen ook al staan deze
ogenschijnlijk wat scheef.
Ik heb dit een keer meegemaakt bij een oude TV tuner. Ik dacht toen
bij mezelf, wat staan die plaatjes toch allemaal schots en scheef, dit
hoort toch zeker niet zo. Nadat ik alle plaatjes mooi recht had
gebogen heb ik nooit meer beeld gehad op deze TV.
2.2.5 Spoelen
Meet de Ohmse weerstand van de spoel en check dat deze
overeenkomt met de specificatie in de service documentatie.
Spoelen behoeven geen specifieke aandacht daar deze vrijwel altijd in
een aluminium behuizing gemonteerd zitten en de kern voor de trimming
is afgelakt.
Open honingraatspoelen dienen alleen stofvrij gemaakt te worden. Wees
voorzichtig met de dunne aansluitdraden daar deze gemakkelijk kunnen
afbreken.
2.2.6 Schakelaars
Controleer of alle contacten goed schakelen door naar de verende
beweging van de contactlippen te kijken.
Indien deze niet bewegen en geen contact maken na ze Ohms doorgemeten
te hebben, verbuig dan voorzichtig de contactlip. Indien de schakelaar kraakt, spuit dan contactreiniger
"Contakt 60" op de contacten en verwijder overtollig
reinigingsvloeistof.
2.2.7 Oscillator frequentie
Mocht de radio op een van de golfbereiken, bijvoorbeeld de
middengolf, nauwelijks of geen
ontvangst hebben dan is het aan te bevelen om de frequentie van de
oscillator te controleren.
De middengolfband beslaat een frequentie van 513 kHz tot 1714 kHz.
Is de middenfrequentie van het betreffende toestel bijvoorbeeld 473
kHz, dan zal de frequentie van de oscillator moeten varieren van 986
kHz tot 2187 kHz. Wijkt de gemeten oscillatorfrequentie sterk van deze
waarden af, dan is waarschijnlijk een van de condensatoren in de
oscillatorkring verlopen of defect.
Hoodstuk 3 De evolutie
van de radiobuis
3.1 Inleiding
Willen we de evolutie van de radiobuis goed
in kaart brengen dan moeten we een heel grote stap terug in de
geschiedenis maken en wel teruggaan naar het tijdperk van de draadloze
telegrafie.
De draadloze telegrafie berust in zijn grondvorm op de proefnemingen
van Hertz die in 1888 het proefondervindelijk bewijs leverde dat, de
door een oscillator in trilling gebrachte electriciteit, in lichamen,
welke op enige afstand van de oscillator zijn geplaatst, ook een
electrische trilling teweeg brengt.
Hertz bestudeerde door middel van zijn schitterende proefnemingen dat
deze zogenaamde electromagnetische golven zich bewegen met de snelheid
van het licht en wel met 300000 km/sec.
Uit deze belangrijke proefnemingen van Hertz, proeven die moesten
dienen om de veronderstellingen van Maxwell te bewijzen, werd kort
daarop de draadloze telegrafie geboren.
3.2 Het electromagnetisch spectrum
Een electromagnetisch golf kan men zich het beste voorstellen
door twee loodrecht op elkaar staande golven die zich in vacuum met
een snelheid van 300000 km/sec voortplanten.
De ene component van de electromagnetisch golf veroorzaakt een electrisch veld en de andere component van de electromagnetisch golf
veroorzaakt een magnetisch veld.
De bekendste vorm van een electromagnetisch golf is het zichtbare
licht. Het onderscheidt zich van alle andere electromagnetisch golven
door zijn frequentie. Het is verbazend te zien dat het zichtbare licht
maar een heel klein deel van het totale spectrum bestrijkt
(klik
hier om het totale spectrum te bekijken).
3.3
De eerste radiolamp
Het is de grote verdienste van Marconi geweest dat hij de
uitvinding van Hertz voor de praktijk bruikbaar heeft gemaakt. Hij
bracht de nodige praktische veranderingen aan in de laboratoriumproeven van Hertz en bereikte al spoedig een afstand van 10 tot 20 km
waarover hij seinen kon uitwisselen door middel van electromagnetisch golven.
Hij verving bij die proefnemingen de electrische resonator van Hertz
door een veel gevoeliger instrument en wel de coherer van professor
Branley en bereikte daarmee aanmerkelijk gunstigere resultaten.
Deze coherer van Branley is een klein luchtledig glazen buisje dat
gedeeltelijk gevuld is met metaalvijlsel dat losjes opgesloten zit
tussen twee zilveren stopjes die van aansluitdraden zijn voorzien.
Plaatst men nu dit toestelletje in een stroomkring met spanningsbron
en galvanometer dan zal het onder normale omstandigheden een grote
weerstand bieden aan de electrische stroom. Echter onder invloed van electromagnetisch golven
gebracht neemt die hoge weerstand van de coherer plotseling sterk af
zodat de galvanometer merkbaar uitslaat.
Helaas is de coherer, wegens zijn ongevoeligheid als detector, slechts
een kort leven beschoren geweest.
Meer en meer werden in de jaren daarna de toen bekende detectoren
zoals de Marconi detector en electrolytische detector vervangen door
kristal detectoren. Men heeft toen ontdekt dat sommige kristallen
zoals carborundum, silicium en koperpyriet de eigenschap hebben de electromagnetisch golven slechts in een richting doorlaten.
De op deze wijze gelijkgerichte hoogfrequente stromen kunnen nu met
behulp van een zogenaamde blokkeringscondensator en een koptelefoon
hoorbaar gemaakt worden.
De kristaldetector bleek echter zeer onbetrouwbaar te zijn, zo moest
hij voortdurend bijgesteld worden en gaf geen versterking van het
signaal.
Een grote doorbraak waren de proefnemingen van Lee de Forest die in
1906 resulteerden tot de allereerste radiolamp de Audion
genaamd (audio-ion).
Tijdens deze proefnemingen vond de Forest dat gas in een laag vacuum
buisje, dat verhit werd door een gloeidraad in de buis, in een
richting geleidend werd. Door een draad om de glazen buis te wikkelen
die op een hoogfrequent trilling was aangesloten, kon de stroom in de
buis beinvloed worden.
In zijn oorspronkelijk ontwerp was een metalen plaatje en een
gloeidraad ingesmolten in de glazen buis. Het metalen plaatje was via
een koptelefoon verbonden met de positieve klem van een 22 Volts
batterij. De negatieve klem was verbonden met een zijde van de
gloeidraad. Een hoogfrequent signaal aangesloten op de draad die om de
buis gewikkeld was veroorzaakte een veranderlijke stroom in de
koptelefoon.
Een logische verdere ontwikkeling van de Audion was dat de draad, die
nu om de glazen buis gewikkeld was, als rooster in de buis ingesmolten
werd.
Diverse geleerden zoals John Ambrose Fleming, Edwin Armstrong en
Irving Langmuir hebben zich met de verbetering van de Audion bezig
gehouden. Deze verbeteringen richtten zich er vooral op het gas uit de
buis te verwijderen en het vacuum te verbeteren. Dit in tegenstelling
tot wat het patent van Lee de Forest beschreef: "Het gas in de
buis is essentieel voor de werking van de buis".
De Audion was dan ook bedoeld om als detector te fungeren terwijl de
hoogvacuum buizen zonder gas van Langmuir als versterker bedoeld waren
en bij veel hogere frequenties nog goed werkten.
Het ironische van dit alles was dat kapotte Audions, die hun
demodulerende eigenschap verloren hadden ten gevolge van het
absorberen van gas door de metalen electroden, eigenlijk veranderden
in een versterker, maar niemand die zich dat realiseerde op dat
moment.
3.4 De eerste Nederlanse radiolamp
Als we de zoon van Leonard Bal moeten geloven was zijn vader
de uitvinder van de eerste radiolamp in Nederland.
Hoe zijn anders de merkwaardige gebeurtenissen tijdens de eerste
Nederlandse radio tentoonstelling in 1918 in Den Haag te verklaren?
Het publiek op de tentoonstelling kon welliswaar morse seinen uit de
radiotoestellen opvangen maar uitsluitend via koptelefoon en dus
zonder versterker. Maar dan voltrekt zich bij stand 33 een klein
wonder.
In die stand staat Leonard Bal, directeur van Electrotechnisch bureau
Bal uit Breda, met zijn zelfgebouwd radiotoestel dat de allereerste
Nederlandse radiolamp bezit die versterking van de ethersignalen
mogelijkt maakt.
Hij laat zelfs het tijdsein van Parijs door de zaal schallen. De
concurrentie is sprakeloos. Daar waar de grote techneuten, met name
Philips falen, slaagt een relatief onbekende buitenstaander er wel in
om radiosignalen te versterken.
Leonard Bal moest nu wel wereldberoemd worden. Helaas heeft het niet
zo mogen zijn.
De zoon van Leonard Bal vervolgt: "Er zijn rare dingen gebeurd in
1918. Mijn vader werd het succes misgund. Na afloop van de eerste dag
van de tentoonstelling ging hij terug naar zijn stand. Het bleek dat
zijn lamp was gestolen.
De volgende dag keerde hij terug en ontdekte tot zijn grote verbazing
dat de lamp weer in de radio teruggeplaats was.
Vervolgens is het heel vreemd dat Hanso Idzerda, een radiotechnicus en
directeur van een radiofabriek, twee maanden later een radiolamp
ontwikkelde die identiek was aan de Bal radiolamp.
Idzerda kreeg patent op deze zogeheten IDEEZET
lamp die door Philips als eerste Nederlandse lamp in productie werd
genomen".
De verhalen doen echter de ronde dat noch Idzerda noch Bal de eerste
Nederlander was die een goed functionerende radiobuis maakte. De
werkelijk allereerste lamp zou in 1917 zijn gemaakt door glasblazer
Hendrik Schmitz bij de metaaldraadlampen fabriek Holland te Utrecht.
Het volgende geval deed zich voor:
Op 15 november 1917 stapte bij de Holland fabriek een zekere luitenant Tolk en
luitenant-ter-zee Dubois binnen.
Ze hadden een Telefunken-lamp
bij zich die afkomstig was uit het radiotoestel van een Duits
watervliegtuig dat bij Kampen was neergestort. Het bedrijf kreeg
in naam van het Ministerie van Oorlog de opdracht het onderdeel
onder geheimhouding na te maken. Vier dagen later, op 19 november
1917, hadden glasblazer Schmitz en laborant ir F. Prinsen een eerste
werkende radiolamp klaar.
Begin 1918 had lampenfabriek Holland een eigen radiobuis klaar die een voorloper was
van de buizen die tot 1923 werden gebruikt in de radiotoestellen
van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum.
Begin 1918 kreeg Idzerda lucht van de
experimenten in Utrecht. Hij probeerde enkele radiolampen bij de
Holland te bestellen maar daar staken de militaire autoriteiten
een stokje voor. In maart van dat jaar stond Idzerda nog met
ouderwetse kristalontvangers op de radiotentoonstelling in Den
Haag. Daar demonstreerde luitenant Tolk een
ontvanger die hij had gebouwd met lampen uit de geheime Holland-serie.
Het inwendige van dat apparaat was officieel staatsgeheim en dus
verstopt in een verzegelde kast. Bals ontvanger, iets verderop, was niet
meer dan een schakeling op een kale houten plaat. Die openheid trok
aanzienlijke aandacht. De buislamp, die matglas had om het
inwendige aan het oog te onttrekken, had het opschrift Bal - Pope
Venlo, terwijl niemand wist dat bij dat bedrijf al radiolampen
werden vervaardigd.
Er gebeurden, zoals eerder werd verteld, vreemde dingen in Den Haag.
Bals lamp verdween op de eerste avond van de expositie om de
volgende morgen weer in het apparaat te steken alsof er niets was
gebeurd. Bal hield het incident stil. De brutale diefstal van
Tolks kist reserve-onderdelen haalde wel de kranten.
Bal kreeg daarna al snel overweldigende
concurrenten tegenover zich. In Hilversum begon NSF
ontvangsttoestellen te bouwen met Holland-lampen. En in de Philips
Company Archives zijn stukken aanwezig waaruit blijkt dat
ingenieur Idzerda een prototype van een naar zijn
aanwijzingen gemaakte radiolamp geleverd kreeg van Philips. Op 1
juli 1918 werd een contract getekend waarin de ingenieur zich
verplichtte minimaal 180 stuks per jaar van zijn 'Ideezet' af te
nemen. Kort daarop begon de produktie.
Of Idzerda iets met de mysterieuze
gebeurtenissen in de eerste nacht van de radiotentoonstelling van
1918 te maken had, is verre van zeker. Idzerda's latere partner Philips was
namelijk al in November 1917 door luitenant Tolk benaderd met de
Telefunken-lamp uit Kampen. De Philips ingenieurs hadden er wel
oren naar gehad, maar Gerard
Philips zag niets in radiowerk dat hij 'militaire spielerei' vond. Pas toen Idzerda afname
garandeerde, ging ook hij overstag.
Het fijne ervan zullen we wel nooit te weten komen. Wat we wel weten
is dat dit technologisch gedoe er uiteindelijk toe geleid heeft dat op
het eind van de twintiger jaren en begin dertiger jaren in de meeste
huishoudens goed spelende radio ontvangers stonden en dit zo bleef
totdat in het midden van de vijftiger jaren de transistor radio
geintroduceerd werd. In de moderne electronica zijn de radiobuizen
op grote schaal vervangen door de zogenaamde "solid state
devices" zoals de transistor, uitgevonden in 1947, en
geimplementeerd in geintegreerde schakelingen in 1959.
Niettegenstaande dat worden electronenbuizen nog altijd op grote
schaal toegepast in high-end audio toepassingen. Buizen versterkers
produceren namelijk een wonderbaarlijk warm geluid dat nog niet
succesvol is nagebootst door digitale technologie.
3.5 De werking van de electronenbuis
3.5.1 Inleiding
De radio-omroep, die sinds 1920 begon te floreren, noopte tot
massafabricage van de radiolampen. De hel gloeiende wolfraam-cathode
maakte spoedig plaats voor de zachtrood gloeiende oxyd-cathode en de
schermroosterbuis deed zijn intrede. Zo omstreeks 1935 begint het nog
steeds bestaande streven naar verkleining van de afmetingen van de
buizen.
Al gauw blijft dan van de uitwendige gelijkenis met een
gloeilamp niets meer over.
Nu de meeste "radiolampen" buisvormig zijn geworden en
toepassingen die bijna niets meer met radio te maken hebben, is de betiteling "electronenbuis" zeker meer op
zijn plaats.
3.5.2 De Diode
De moderne electronenbuis is een hoogvacuum buis waarbinnen een stroom
vrije electronen in stand kan worden gebracht. Om de beweging van de
electronen mogelijk te maken moet de ruimte in de buis op vacuum zijn
gebracht.
De eventueel nog aanwezige gasresten worden verwijderd door een
zogenaamde "getter". Deze getter bevat bijvoorbeeld barium
dat bij hoogfrequente verhitting verdampt en op de glaswand als een
metaalspiegel neerslaat.
Deze bindt de nog aanwezige gasresten en is ook tijdens het in gebruik
zijn van de buis nog tot enige gasabsorptie in staat.
Hoe komt nu de electronenestroom binnen de buis op gang?
Daartoe moet de buis iets bevatten wat de electronen kan vrij maken, de
zogenaamde kathode.
We weten dat geleiding in metalen plaats vindt door vrije electronen. Deze kunnen
gemakkelijk door het metaal bewegen daar ze niet aan bepaalde
atoomkernen gebonden zijn. Om vrije electronen buiten het metaal te
brengen, moet arbeid worden verricht, hoofdzakelijk om de eenzijdige
aantrekking door positief geladen atoomresten te overwinnen.
Deze uittreedarbeid is het product van de lading van het electron en
het bij het uittreden doorlopen potentiaalverschil, de
uittreedspanning. Aan electronen kan de voor het overwinnen van de
uittreedspanning vereiste energie gegeven worden door verhitting van
het metaal welke aanleiding geeft tot thermische emissie.
De kathode nu, bestaat uit een dun buisje bedekt met barium en
strontiumoxyde.
Binnen dit buisje is de gloeidraad aangebracht die met aluminiumoxyde
bedekt is om te voorkomen dat de gloeidraad sluiting maakt met de
kathode. Zie figuur 1
f
is de gloeidraad
k is de kathode
a is de anode
g is het rooster (zie hoofdstuf 3.5.3)
Wordt dus nu de gloeidraad verhit dan zal de kathode door
thermische emissie electronen vrij maken.
Plaatst men nu op enige
afstand rondom de kathode een metalen plaatje, anode genaamd, dan
spreekt men van een diode.
Zie figuur 2
Indien nu tussen de anode en de kathode geen spanning wordt aangelegd, zal
toch een aantal electronen uit de kathode kunnen treden. Enkele
daarvan zullen de anode kunnen bereiken en deze negatief opladen.
De andere zullen de kathode als een electronenwolk omgeven. Er
ontstaat hierdoor een ruimtelading welke het uittreden van nog meer
electronen zal beletten.
Verbinden we nu via een stroommeter de anode met de kathode, dan
zullen electronen van de anode naar de kathode kunnen terugkeren en de
meter doen uitslaan. Leggen we nu een negatieve spanning aan tussen
anode en kathode, dan zal dus deze stroom worden tegengewerkt en bij
voldoende negatieve spanning zelfs geheel verdwijnen.
Dit gebeurt meestal bij een spanning van -0,1 tot -1,5 Volt. Het
gebied nu van 0 tot -1,5V noemt men het aanloopgebied van de buis. Zie
rechter grafiek in figuur 2.
Leggen we nu echter een positieve spanning aan tussen anode en kathode
dan zullen, bij voldoende positieve anodespanning, zoveel electronen
op weg zijn van de kathode naar de anode dat zij een negatieve
ruimtelading vormen waardoor de potentiaal in de buurt van de
kathode daalt of zelfs negatief wordt. Dit ruimteladingsgebied
belemmert het uittreden van nieuwe electronen. Naarmate echter de
anodespanning stijgt, dringt de positieve invloed ervan verder in de
ruimtelading door en breekt deze af. Zie figuur 2.
Wordt de anodespanning nu nog verder verhoogd, dan komt er een moment
waarop de anodestroom vrijwel niet meer toeneemt. Dit is het
verzadigingsgebied van de buis zoals getekend in figuur 2.
De ruimtelading is nu vrijwel geheel verdwenen en alle electronen uit
de kathode bereiken de anode.
3.5.3 De Triode
In de diode buis was geen voorziening aanwezig om de stroom door
de buis te regelen. De buis was ofwel geleidend of niet geleidend. Wordt nu echter in de diode, zoals boven beschreven,
tussen de kathode en de anode een spiraalvormige draadconstructie, rooster genaamd,
aangebracht, dan noemt men deze buis een triode. Zie figuur 1 en figuur 3.
De triode bestaat dus uit de kathode, het rooster en de anode. Door nu het potentiaal op dit rooster te varieren kan
men de electronenstroom tussen kathode en anode regelen.
Als men nu een weerstand in de anodeleiding opneemt, onstaat een spanningsvariatie aan de anode die groter is dan de
roosterspanningsvariatie, er treedt dus versterking op.
Belangrijk is dat de sturing van de electronenstroom vrijwel traagheidsloos is.
De anaodestroom Ia hangt dus af van de roosterspanning Vg en de voedingsspanning Vb. Het gemeten verband tussen deze
grootheden kan grafisch worden weergegeven zoals te zien is in figuur 4 hieronder.
De triodeschakeling die aan deze grafieken ten grondslag ligt is ook
weergegeven in figuur 4.
In deze schakeling is de voedingsspanning Vb via anodeweerstand Ra aangelegd
aan de anode. De roostervoorspanning is -Vg, de anode-kathodespanning is Va en
de anodestroom is Ia.
We kunnen nu de volgende vergelijking opstellen:
Vb = Va + Ia×Ra of anders genoteerd Ia = -(1/Ra)×Va + Vb/Ra
De grafisch voorstelling van deze vergelijking is een rechte lijn door
het punt Va=0,Ia=Vb/Ra en Va=Vb,Ia=0.
(Vergelijk dit met de vergelijking van een rechte lijn y=mx+q waarbij m de
tangens is van de hoek die de lijn maakt met de x-as).
Het snijpunt van die rechte lijn, de belastingslijn genaamd, met de
verschillende Vg lijnen geeft de waarde weer van de anodespanning Va en de
anodestroom Ia. Indien we nu de roosterspanning Vg varieren, verplaatst zich
dit snijpunt, dat het werkpunt van de buis wordt genoemd, langs de
belastingslijn.
De grootte van de roosterspanning variaties en de
anodestroom variaties kunnen grafisch worden bepaald zoals de onderste
kromme in de linker grafiek van figuur 4 laat zien.
In figuur 4 is het rooster vast ingesteld op -1 Volt. Op deze
"bias" spanning is een sinusvormig signaal gesuperponeerd
van 1 Volt peak/peak. Door nu de anodestromen over te halen naar de
rechter grafiek tot het snijpunt met de belastingslijn, vinden we de
bijbehorende anodespanningsvariaties en natuurlijk ook de bijbehorende
roosterspanning
De onderste kromme in de linker grafiek van figuur 4,
die gebruikt is om via de belastingslijn de variaties in anodespanning
weer te geven, heet de dynamische Ia-Vg karakteritiek.
Met behulp van deze dynamische karakteristiek kan gemakkelijk de
statische Ia-Vg karakteristiek geconstrueerd worden.
Daartoe wordt de belastings weerstand nul gemaakt zodat de
belastingslijn loodrecht op de Va-as staat.
Door de corresponderende snijpunten van de belastingslijn met de Vg
lijnen over te halen naar de Ia-as en Vg-as in de linker grafiek,
ontstaat de statische Ia-Vg karakteristiek. Zie bovenste kromme in de
linker grafiek van figuur 4.
Het is belanrijk te vermelden dat de grafieken gelden voor een
bepaalde voedingsspanning Vb.
Uit de grafieken in figuur 4 kunnen we nu een aantal belangrijke
parameters van de buis afleiden.
Statische steilheid: Sstat
= (ΔIa/ΔVg) bij constante Va
Inwendige weerstand: Ri = (ΔVa/ΔIa)
bij constante Vg
Versterkingsfactor: μ = -(ΔVa/ΔVg) bij constante Ia
Tussen deze drie grootheden bestaat de betrekking: μ = Sstat×Ri
We kunnen nu het verband tussen de statische en dynamische steilheid
ook berekenen.
Sdyn = dIa/dVg of dIa = Sdyn×dVg
Uit Vb = Ia×Ra + Va volgt voor kleine signaalveranderingen: dVa
= Vb - Ra×dIa dus dVa = Vb - Sdyn×Ra×dVg
De spanningsversterking μ is nu: dVa/dVg = -Sdyn×Ra
We kunnen nu verder afleiden uit het model voor de triode, dat we hier
niet verder zullen bespreken, dat
dIa = μ×dVg/(Ri + Ra) hieruit volgt dIa/dVg = Sdyn
= μ/(Ri + Ra)
Daar μ = Sstat×Ri is dus Sdyn = Sstat×Ri/(Ri
+ Ra)
3.5.4 De Tetrode
Bij deze buis is een tweede rooster, schermrooster G2 in figuur 3,
aangebracht dat fungeert als een electrostatisch scherm tussen
stuurrooster en anode. Hierdoor wordt de parasitaire capaciteit tussen
anode en stuurrooster met een factor 1000 kleiner dan bij een triode.
Hierdoor wordt de terugwerking van de anode naar het stuurrooster veel
kleiner dan bij een triode het geval is.
Een tweede gevolg van het aanbrengen van een schermrooster is dat de
anodespanning vrijwel geen invloed meer uitoefent op de totale
emissiestroom. Met de totale emissiestroom wordt hier bedoeld de som
van de anodestroom en de schermroosterstroom. De verhouding van anode-
en schermroosterstroom wordt sterk beinvloed door secundaire emissie
van de anode en schermrooster. Hierdoor vertoont de Ia-Va
karakteristiek van ouderwetse schermroosterbuizen onaangename
onregelmatigheden zoals te zien is in figuur 5 hieronder.
De bocht in deze grafiek begrenst het gebruik van de buis tot die
anodespanningen welke groter zijn dan de schermroosterspanning.
Is geen anodespanning aanwezig, dan zal de gehele kathodestroom naar
het schermrooster gaan en de anodestroom is gelijk aan nul. Voor
kleine positieve anodespanningen zal de anodestroom met de
anodespanning snel toenemen.
Het grootste gedeelte van de electronen gaat nu door de mazen van het
schermrooster heen naar de anode.
Door de lage anodespanning is echter de energie van deze electronen
nog te klein om secundaire emissie te veroorzaken. Maakt men nu de
spanning op de anode hoger, dan zullen door de electronen die op de
anode terechtkomen, secundaire electronen worden vrijgemaakt. Deze
electronen bevinden zich in de ruimte tussen de anode en het
schermrooster en bewegen zich naar de electrode met het hoogste
potentiaal, het schermrooster dus.
De schermroosterstroom neemt toe en de anodestroom af.
De secundaire emissie kan zelfs zo groot worden dat het laagste
gedeelte van de karakteristiek onder de horizontale as komt te liggen.
Maakt men nu de anodespanning groter dan de schermroosterspanning, dan
zullen de secundaire electronen terugkeren naar de anode. Een gedeelte
van de primaire electronen komt echter nog op het schermrooster
terecht en kan daar secundaire electronen vrij maken. Deze electronen
gaan nu naar de anode en vergroten dus de anodestroom.
Voor anodespanningen groter dan de schermroosterspanning is de
anodestroom vrijwel constant.
Uit de Ia-Va karakteristiek is af te leiden dat de inwendige weerstand
van de buis voor anodespanningen groter dan de schermroosterspanning
zeer groot is.
De steilheid is, bij overigens bij gelijke afmetingen, iets kleiner
dan die van de triode omdat nog altijd een gedeelte van de electronenstroom naar
het schermrooster afvloeit.
De versterkingsfactor μ, welke gelijk is aan Sstat.Ri, is
dus ook veel groter dan die van een triode.
3.5.5 De Pentode
Bij de pentode bevindt zich tussen het schermrooster en de anode een
wijdmazig rem- keer- of vangrooster met een lage potentiaal dat er
voor zorgt dat de electronen die door secundaire emissie aan de anode
worden vrijgemaakt, het schermrooster niet kunnen bereiken.
Dit remrooster is in figuur 3 aangeduid met G3 en is meestal inwendig
met de kathode verbonden.
Het blijkt nu, bij een normale instelling van de buis, de
anodespanning maar weing invloed op de anodestroom heeft, of anders
gezegd, de inwendige weerstand van de buis is zeer groot.
Het verloop van de pentode karakteristieken is getoond in figuur 6
hier beneden.
Het is belangrijk te
vermelden dat de rechter Ia-Va grafieken gelden voor
een bepaalde schermroosterspanning en wel 250 Volt. In
de linker Ia-Vg grafiek zien we dat de anodestroom heel sterk wordt
bepaald door de schermroosterspanning.
De gestippelde lijnen laten dit duidelijk zien voor een
schermroosterspanning van 150 Volt en 300 Volt.
Merk tevens op dat de statische en dynamische Ia-Vg karakteristieken
voor een schermroosterspanning van 250 Volt nauwelijks van elkaar
verschillen. Deze statische en dynamische karakteristieken zijn
verkregen uit de rechter Ia-Va grafieken. De twee Ia-Vg
karakteristieken voor een schermroosterspanning van respectievelijk
150V en 300V zijn uiteraard niet hieruit verkregen daar de rechter
grafiek alleen geldt voor een schermroosterspanning van 250 Volt.
3.6 De uitvinding en opmars van de transistor
Inleiding
De historie van de uitvinding van de transistor is heel interessant te
noemen. Mervin J. Kelly, "Director of Research" van Bell
Laboratories stelt zich in 1945 ten doel om het onbetrouwbare telefoon
systeem van AT&T drastisch te verbeteren door het te voorzien van electronische
schakel elementen en betere versterkers.
Electronenbuizen waren in die tijd door hun grote warmteontwikkeling
niet erg betrouwbaar en met name doorgebrande gloeidraden leidde
regelmatig tot vervanging van de buizen.
In 1945 werd toen de "Solid State" physica
werkgroep opgericht die tot hoofddoel had een "solid state"
versterker te ontwikkelen. Met "solid state" werd hier
bedoeld al datgene wat met halfgeleider technologie te maken had.
Zo werd in 1947 door John Bardeen en Walter Brattain, die deel
uitmaakten van die werkgroep, tijdens
hun algemeen onderzoek aan halfgeleidende materialen ontdekt, dat
indien men twee metalen punten dicht bij elkaar op een stukje
halfgeleidend materiaal plaatst, dit geheel versterkende eigenschappen
bezit.
Shockley, onder wiens leiding dit onderzoek werd verricht, heeft
daarna, op grond van theoretische overwegingen aangetoond, dat deze
eigenschappen ook naar voren kunnen worden geroepen door aan beide
zijden van een dun schijfje n-germanium een stukje p-germanium aan te
brengen. Wat p-germanium en n-germanium is wordt in hoofdtstuk 3.6.2
duidelijk.
Dit nieuwe versterkerelement werd transistor genoemd (samentrekking van
transformer en resistor).
Het eerste type noemt men een puntcontact-transistor naar de
beide metalen punten die hierbij werden gebruikt en
het tweede type
wordt lagentransistor genoemd (junction-transistor).
Het eerste type
heeft slechts een kort leven gehad, het tweede echter werd daarna in
zeer grote aantallen vervaardigd.
Dat de transistor een zeer
snelle verbreiding heeft gevonden is niet zo vreemd, als men bedenkt
dat de transistor evenals de elektronenbuis over versterkende
eigenschappen beschikt, doch daarentegen veel kleiner is.
Hiermede zijn echter niet alle voordelen van de transistor opgenoemd.
Bij de elektronenbuis berust de versterkende werking op de sturing
van elektronen die eerst uit de kathode moeten worden vrijgemaakt.
In de transistor zijn vrije ladingsdragers al van nature aanwezig,
zodat men hier geen uitwendige middelen behoeft toe te passen om
deze ladingsdragers vrij te maken.
Een gloeidraad is dus voor de
transistor volstrekt overbodig waardoor het rendement van de transistor veel
hoger is dan van een elektronenbuis. Verder heeft een
elektronenbuis een bepaalde voedingsspanning nodig die in de meeste
gevallen hoger is dan enkele tientallen volts. De transistor werkt
reeds bij een voedingsspanning van ongeveer 1 volt.
De dissipatie in een transistor is, onder andere ten gevolge van de lage
voedingsspanning, veel kleiner dan die in een elektronenbuis.
Al deze voordelen gaan echter ook gepaard met enkele nadelige
eigenschappen zoals de temperatuurafhankelijkheid van bepaalde
eigenschappen van de transistor.
Het is mogelijk
hiertegen maatregelen te nemen, maar dit neemt toch niet weg, dat de
maximale temperatuur waarbij men de germanium-transistor kan
gebruiken in de buurt van de 8o°C ligt. In het geval dat men een
siliciumtransistor gebruikt is deze temperatuur ongeveer 150°C.
Een verder nadeel was, vooral in die tijd, de moeilijkheid een transistor te vervaardigen, waarvan
de versterkende eigenschappen tot zeer hoge frequenties bruikbaar
bleven. Hier is echter in de laatste decennia van de vorige eeuw
enorme verbetering in aangebracht mede dank zij sterk verbeterde
fabricageprocessen.
Ook een groot nadeel van de transistor is dat hij niet bestand is tegen hoge
temperaturen en hoge spanningen. Hoge temperaturen kunnen namelijk leiden
tot "thermal runaway" hetgeen inhoud
dat door slechte koeling of door een slecht ontwerp van het circuit
waarin de transistor wordt gebruikt, de temperatuur zo hoog oploopt
dat de versterkingsfacor en de lekstroom toeneemt hetgeen een
verhoging van de collectorstroom tot gevolg heeft.
Hierdoor zal door inwendige dissipatie de temperatuur nog verder
stijgen. Zo ontstaat een lawine effect wat uiteindelijk tot volledige
vernieling van de transistor leidt.
Hoge spanningen daarentegen kunnen leiden tot overslag tussen grenslagen in de
transistor hetgeen tot onmiddelijke vernieling leidt. Ook verhogen
hoge
spanningen de lekstromen in de transistor waardoor deze
uiteindelijk door te hoge temperatuur zal sneuvelen.
3.6.1 Halfgeleiding in germanium en silicium
Bij de bespreking van het verschijnsel van thermische emissie in de
electronenbuis werd al opgemerkt, dat de geleiding in metalen wordt
veroorzaakt door vrije electronen. Deze kunnen zich gemakkelijk
door het materiaal bewegen, in tegenstelling tot de valentie-electronen
in halfgeleiders, die
aan bepaalde ionen gebonden zijn.
In geleiders hangt de concentratie van de vrije electronen nauwelijks
van de temperatuur af; bij het absolute nulpunt is het aantal vrije
electronen nog ongeveer evengroot als bij kamertemperatuur.
Halfgeleiders daarentegen zijn bij het absolute nulpunt volmaakte
isolatoren; daarin zijn dan namelijk alle electronen op bepaalde
plaatsen in het kristalrooster gebonden.
Germanium en silicium is een typisch voorbeeld van zo een halfgeleider.
Uit de chemie weten we dat een germaniumatoom bestaat uit een positief geladen
kern van 32 protonen met daaromheen 32 electronen in verschillende energiebanen.
Zo heeft een siliciumatoom 14 protonen in de kern met daaromheen 14 electronen in
verschillende energiebanen waarvan 4 electronen in de buitenste
energiebaan aanwezig zijn net als dat bij het germaniumatoom het geval is.
De electronen die in hun eigen banen draaien bezitten energie omdat
zij een bepaalde massa in beweging voorstellen.
Ieder electron in zijn relatie tot de eigen atoomkern heeft dus een
bepaalde energiewaarde en opereert vanuit een bepaald en duidelijk
enegieniveau. Dit energieniveau wordt bepaald door het electron's
momentum en zijn fysieke afstand tot de kern.
Hoe dichter het electron bij de kern is, des te groter is de
bindingsinvloed van de kern op het electron en des te groter de
energie die vereist is om het electron vrij te maken. Evenzo kunnen
we zeggen dat hoe verder het electron van de kern verwijderd is, hoe
kleiner de invloed van de kern op het electron is.
Electronen in de buitenste baan hebben dus een veel grotere
mogelijkheid om van zijn atoomkern los te raken dan de electronen in
de binnenste banen. Om deze reden worden de electronen in de
buitenste baan valentie electronen genoemd.
De baan waarin de valentie electronen zich bewegen heet de valentie
band en het zijn juist deze electronen in deze valentie band die een
rol spelen in de verdere discussies over de fysica van de
transistor.
Welnu, de 4 electronen in de buitenste energiebaan hebben een dermate lage
energiewaarde dat zij vrij gemakkelijk uit deze valentieband kunnen
springen.
Germaniumatomen en siliciumatomen zijn dus wat we noemen vierwaardig
en kunnen kristallen vormen met een tetraëdrisch rooster waarin elk
atoom door covalente bindingen aan vier andere is gebonden;
aan elke binding werken twee valentie-electronen mee.
De figuur rechts geeft een ruimtelijk beeld van de plaatsing van
germanium atomen in een tetraëdrisch rooster.
De bollen stellen de germaniumatomen voor, de stangen die de bollen
verbinden zijn de covalente bindingen, aan elk waarvan twee valentie
electronen meewerken.
Verhoogt men nu de
temperatuur van een halfgeleider boven het absolute nulpunt, dan
kunnen tengevolge van de warmtebeweging valentie-electronen uit de
covalente binding worden losgeslagen en in "vrije" toestand
overgaan. In principe zou op deze manier elke isolator geleidend
gemaakt kunnen worden, maar slechts bij de typische
halfgeleidermaterialen zoals germanium en silicium wordt reeds bij
kamertemperatuur een bruikbare mate van geleiding verkregen. Men zegt,
dat de electronen bij het losraken uit de valentiebinding terechtkomen
in de geleidingsband. Hiermee bedoelt men
het interval van de energieën, die de vrije electronen kunnen hebben.
Om een electron uit een valentiebinding in de geleidingsband te
brengen, is minstens een energie qE nodig. De kans dat een electron deze energie uit de warmtebeweging
opneernt bij een temperatuur T is evenals bij de thermische emissie ook hier weer
evenredig met de Boltzmann-factor e-qE/kT.
De waarde van k in de Boltzmann factor is 1,38x10-23 Joule/oC
= 8,616x10-5 eV/oC. Voor zeer zuiver germanium is qE= 0,76 eV, voor
silicium 1,12 eV. Bij een kamertemperatuur van 300 oK is kT ongeveer gelijk aan 0,025.
Voetnoot 1:
Voor de physica is de arbeids-eenheid de Joule onpractisch groot. Als
energie-eenheid gebruikt men daarom de electronvolt, gedefinieerd als
de energietoename van een electron met lading 1,602.10-19
Coulomb dat een potentiaalverschil van 1 Volt doorloopt. Hieruit volgt dus dat 1 electronvolt = 1eV = 1,602.10-19 Joule.
Voetnoot 2:
In het vervolg zal alleen het germanium nog ter sprake komen omdat
het besprokene ook geldt voor silicium. Indien nodig, wordt silicium
specifiek vermeld en behandeld.
Omdat qE dus veel groter is dan kT zal de Boltzmann-factor zeer klein zijn
en ook zeer gevoelig voor kleine veranderingen van E of T.
Slechts als qE niet veel groter is dan 1 eV kan bij kamertemperatuur reeds een bruikbare
concentratie van electronen in de geleidingsband worden verkregen.
Telkens wanneer een electron in de geleidingsband springt, blijft op
de plaats waar dit gebeurde een open plek, een zogenaamd gat achter in de bezetting van de valentieelectronen.
In volkomen zuiver germanium zal de concentratie ng
van deze gaten (dat is het aantal per cm3) gelijk
moeten zijn aan de concentratie ne van de vrije electronen. Ook bij aanwezigheid van bepaalde
verontreinigingen kan het nog wel voorkomen, dat ne gelijk is aan
ng. Zolang dit het geval is, noemt men het germanium een intrinsieke halfgeleider (i-germanium).
Ook de gaten kunnen zich gemakkelijk door het germanium verplaatsen:
de open plekken kunnen namelijk telkens opgevuld worden door
valentie-electronen van naburige germaniumatomen. Men kan zich deze
verplaatsing van een gat aanschouwelijk voorstellen door te denken aan
een spel, waarbij men 15 genummerde blokjes over 16 velden moet
verschuiven tot ze in de juiste volgorde liggen. De blokjes kan men
met de valentie-lectronen vergelijken, het ene open veld met een gat.
In verschillende opzichten mag men gaten als positief geladen deeltjes opvatten:
ze zullen zich bijvoorbeeld onder invloed van
een electrisch veld in een richting tegengesteld aan die van de
electronen door het materiaal verplaatsen.
Zodra een gat en een electron enkele atoomafstanden van elkaar
verwijderd zijn oefenen ze vrijwel geen aantrekkende kracht meer op
elkaar uit: de tussenliggende materie vormt een effectieve afscherming.
Men mag daarom wel aannemen, dat vrije electronen en gaten zich
onafhankelijk van elkaar door de halfgeleider bewegen.
3.6.2 n en p Germanium
Reeds door toevoeging van uiterst geringe hoeveelheden van bepaalde elementen kan
het geleidingsvermogen van germanium sterk worden vergroot. Wanneer
atomen van bepaalde toevoegsels met een andere chemische waardigheid
dan germanium in het tetraëdrisch rooster plaatsen van
germaniumatomen innemen, zullen ter plaatse daarvan te veel of te
weinig valentie-electronen aanwezig zijn. Bouwt men bijvoorbeeld 5-
waardige atomen in, hetgeen vooral met arseen en antimoon goed
lukt, dan is er per atoom een valentie-electron te veel. Dit is nu
slechts zwak gebonden aan het atoom en raakt zeer gemakkelijk in de
geleidingsband (de excitatie-energie is minder dan 0,1 eV). We mogen
wel zeggen, dat bij kamertemperatuur reeds vrijwel alle overtollige
valentie-electronen in de geleidingsband zitten. Arseen en
antimoonatomen in een germanium-rooster fungeren dus als donors van electronen.
Deze electronen laten nu echter geen bewegelijke gaten achter, maar slechts
positieve ionen, die vast zitten in het rooster.
De geleiding van germanium met een kleine toevoeging van geschikte
5-waardige atomen wordt daarom hoofdzakelijk door vrije electronen,
negatieve ladingsdragers dus, veroorzaakt. Men noemt dit type
germanium daarom n-germanium.
Voorziet men het rooster daarentegen van 3-waardige atomen, zoals indium of gallium ,
dan schiet ter plaatse van deze atomen telkens een electron voor een
covalente binding te kort; dit kan echter gemakkelijk door een naburig
germanium atoom gefourneerd worden. Zo hebben we een wandelend gat gekregen;
de 3-waardige atomen zijn acceptors van electronen, die elders
gaten achterlaten. Elk 3-waardig atoom schept op deze wijze
een beweeglijk gat, waarbij nu echter geen vrij electron hoort. Zulk
germanium is een gatengeleider en wordt p-germanium genoemd omdat gaten
immers in vele opzichten met positieve ladingsdragers kunnen worden
vergeleken.
We kunnen nu hetvolgende belangrijke resultaat vaststellen: De
dotering van een intrinsiek halfgeleidermateriaal verhoogt niet
alleen de geleiding, maar produceert ook een geleider waarin de
dragers voor de geleiding overwegend gaten zijn of overwegend
electronen zijn. In een n-type halfgeleider worden de electronen
meerderheidsladingdragers genoemd en de gaten worden
minderheidsladingdragers genoemd. In een p-type halfgeleider worden
de gaten meerderheidsladingdragers genoemd en de electronen worden
minderheidsladingdragers genoemd.
Concentraties van donor- of acceptoratomen van de orde van 1 per 109
germanium atomen bewerken reeds een duidelijke verandering van het
geleidingsvermogen. Om p- of n-germanium met goed gedefinieerde donor-
of acceptorconcentraties te maken, moet men eerst technisch germanium
zeer zorgvuldig zuiveren en er dan weer uiterst kleine hoeveelheden
van geschikte "onzuiverheden" aan toevoegen.
3.6.3 De p-n overgang
Op verschillende manieren kan in een germaniumkristal een
scherp begrensde overgang van een n-gebied naar een p-gebied
worden gemaakt. Soldeert men bijvoorbeeld bij een nauwkeurig bepaalde temperatuur een
indiumcontact aan een stukje n-germanium, dan zal bij afkoeling onder
de soldeerplaats een dun, scherp begrensd laagje van het germanium tot
p-germanium kristalliseren. Er heeft zich namelijk enig indium, dat
als acceptor fungeert (3-waardige atomen), met het germanium gelegeerd.
De p-n overgangen in de meeste lagendioden en lagentransistoren met
germanium zijn van dit zogenaamde gelegeerde type (alloy
junctions).
Een andere manier om in een germaniumkristal een p-n overgang aan te
brengen is tijdens de groei uit een smelt. Men laat dan een enkel
kristal van germanium eerst een tijdje groeien door het langzaam uit
een hoeveelheid gesmolten germanium omhoog te trekken, waaraan
bijvoorbeeld een overmaat donor-atomen is toegevoegd. Zo ontstaat dan
een kristal van n-germanium, waarin men nu terwijl het groeiproces
doorgaat een plotselinge overgang naar p-germanium kan aanbrengen door
aan de smelt een overmaat acceptoratomen toe te voegen. Zo wordt een
gekweekte p-n overgang (grown junction) verkregen.
Tussen het p- en het n-gedeelte van een p-n overgang heerst een
contactpotentiaalverschil dat we ons als volgt
ontstaan kunnen denken (zie figuur hiernaast): zodra een p-n overgang
is gevormd, zullen gaten van het gatenrijke p-germanium lopen naar het
daaraan arme n-germanium, waar ze kunnen recombineren met de daar
overvloedig aanwezige vrije electronen of van waaruit ze weer terug
kunnen diffunderen naar het p-gedeelte. Omdat nu dus rechts van de
grenslaag (in het n-gedeelte) vrije electronen verdwijnen, blijft daar
een overschot aan positieve lading van de kristalionen achter;
waar links van de grenslaag gaten verdwijnen vormt zich een teveel aan negatieve lading.
De gebieden van tegengesteld ladingsoverschot die zodoende aan weerszijden van de
grenslaag ontstaan, vormen samen een dipoollaag, waarin de
concentraties van bewegelijke gaten en electronen veel kleiner zijn
dan erbuiten. Deze ladingsverdeling is geschetst in de figuur
hiernaast.
De grenslaag heeft in de praktijk een dikte van slechts een halve
micron. Daar in het gebied van de overgang vrijwel geen mobiele
ladingsdragers meer aanwezig zijn, noemt met dit gebied
"depletion region".
Bij het grensvlak wordt door deze laag een sterk electrisch veld
opgewekt, dat een verdere diffusie van gaten naar rechts tegenwerkt.
Dit veld stelt zich nu automatisch zo in, dat gemiddeld per seconde
evenveel gaten naar links als naar rechts stromen. Bij dit
evenwichtsveld bestaat tussen p- en n-gedeelte het
contactpotentiaalverschil Epn (zie figuur hiernaast).
Gaten, die in een p-n overgang van links naar rechts door de grenslaag
willen, moeten het potentiaalverschil Epn overwinnen; de
fractie van de gaten, die voldoende thermische energie heeft om dit te
presteren, is steeds evenredig met de Boltzmannfactor.
Van rechts naar links vloeit ook een gatenstroom: alle gaten, die in het daaraan arme
n-germanium tot de grenslaag diffunderen, vallen van de potentiaalberg
Epn af. Deze gaten constitueren een stroom waarvan de
grootte in eerste instantie niet afhangt van de hoogte van de berg,
maar slechts van de gatenconcentratie in het n-germanium. Dit is een verzadigde stroom.
Zolang nu onze lagendiode niet met een batterij is verbonden moeten de beide
gatenstromen elkaar natuurlijk juist opheffen.
Wordt nu echter over de p-n laag een spanning V aangelegd
zodanig dat de p-kant positief is en de n-kant negatief, dan is dit
niet langer het geval. Als we afzien van de spanningsval in het
germanium ten gevolge van de Ohmse weerstand, wordt de
potentiaalsprong aan de grenslaag verminderd met het bedrag V.
Het evenwicht dat aanwezig was in de p-n laag toen
nog geen spanning
aanwezig was, wordt nu verstoord; gaten gaan nu van het p-germanium
naar het n-germanium. Deze gatenstroom neemt zeer sterk met V
toe, maar de gatenstroom van het n-germanium naar het p-germanium
verandert nauwelijks daar dit een verzadigde stroom is zoals eerder
werd opgemerkt.
Deze verzadigde stroom is dus niet afhankelijk van de spanning V
maar wel van de temperatuur.
Het essentiele van het karakteristieke gedrag van een p-n overgang
is dat het een zogenaamde gelijkrichter of diode constitueert. Deze
diode laat dus de stroom maar in een richting door en blokkeert deze
in de andere richting.
Voor de electronengeleiding, waarover tot dusverre niets is vermeld om de
zaak niet te ingewikkeld te maken, kan nu geheel op dezelfde wijze
worden geredeneerd.
Door de gatenstroom en electronenstroom bij elkaar
op te tellen, vinden we tenslotte de totale stroom. Dit is een stroom
die in de doorlaatrichting (V>0) zeer snel met V toeneemt en
in de sperrichting (V<0) reeds voor kleine waarden van V
de verzadigingsstroom benadert.
Figuur 7 hiernaast illustreert de stroom-spannings karakteristiek van
een kleine lagendiode.
Door nu de gatenstroom en de electronenstroom bij elkaar op te
tellen vinden we tenslotte voor de totale stroom de volgende vergelijking:
I = I0(eqV/kT -
1). Voor T=300°K is q/kT ongeveer 40.
Wordt I0 = 0,3 μA genomen, dan blijkt deze kromme
uitstekend aan te sluiten bij de gegeven formule voor de totale
stroom.
Een belangrijke parameter waar we bij een diode op moeten letten is
de maximale spanning in sperrichting. Wordt deze overschreden dan
treedt doorslag op waarbij de p-n overgang wordt vernield.
Reeds voordat dit doorslagpunt wordt bereikt neemt de stroom in
sperrichting sterk toe. Een verklaring hiervoor is dat de thermisch
opgewekte ladingsdragers (die immers voor de geleiding in de
sperrichting zorgen) zo sterk worden versneld door de aangelegde
sperspanning dat ze na doorgang door de grenslaag secundaire
electronen en gaten kunnen losslaan; er treedt dus een versnelling
van de ladingdragers op. Bij het doorslagpunt wordt de
versnellingsfactor "oneindig" groot.
Het moet opgemerkt worden dat de diodekarakteristiek voor een
silicium diode iets verschilt van de karakteristiek voor een
germanium diode. Ligt de spanning in de doorlaatrichting (bij een
gespecificeerde diodestroom) voor een germanium diode
zo tussen de 0,2 en 0,5 Volt, zo ligt deze voor een siliciumdiode
tussen de 0,6 en 0,8 Volt.
Wat de sperspanning betreft, deze ligt bij siliciumdioden in het
algemeen veel hoger dan bij germanium dioden doch de grootte van die
spanning is geheel afhankelijk van de opbouw van de diode. Zo worden
tegenwoordig siliciumdioden gefabriceerd die een sperspanningen
hebben van 1000-2000 Volt terwijl dat vroeger voor germanium dioden
maar zo'n 50 Volt was.
Ook zijn diverse parameters van de silicium diode veel minder
temperatuurafhankelijk dan die van een germanium diode.
3.6.4 De transistor
Een transistor kan bestaan uit een germanium (of silicium) kristal
waarin een laag n-germanium is opgesloten tussen twee lagen
p-germanium. Anderzijds kan de transistor bestaan uit een laag
p-germanium met aan weerszijden een laag n-germanium. In het eerste
geval noemt men de transistor een p-n-p transistor (figuur 8a) en in
het laatste geval een n-p-n transistor (figuur 8b).
Figuur 8a en 8b laat, behalve de lagen opbouw van de transistor, ook
de gebruikelijke symbolen zien van de p-n-p en n-p-n transistor zoals
ze in electronische schakelingen worden gebruikt.
De drie elementen van een transistor noemt men emitter, basis
en collector. De pijl aan de emitter verbinding geeft de
stroomrichting weer wanneer de emitter-basis overgang in
doorlaatrichting wordt bedreven.
Uitgaande van wat in de vorige sub-paragrafen over
halfgeleiding en over het gedrag van p-n overgangen is gezegd, kan nu de werking van de
transistor gemakkelijk worden uitgelegd.
Figuur 8c hiernaast geeft schematisch een p-n-p transistor weer. Aan
beide p-gedeelten en aan de basis zijn contacten vastgemaakt, welke
aan geschikte spanningen worden gelegd. Wordt het linker p-gedeelte,
de emitter, enigszins positief gemaakt ten opzichte van de basis, dan
gaat net als bij een lagendiode een gatenstroom van links naar rechts
door de p-n overgang lopen. Voor zover deze gaten niet weer naar de
emitter teruglopen zullen ze zich gemiddeld over enige afstand in de
basis verplaatsen alvorens ze daar door geleidingselectronen gevuld
worden. Als nu de dikte van de basis veel kleiner is dan de gemiddelde afstand,
waarover de gaten in de basis kunnen diffunderen, zullen vele van deze
gaten de rechter n-p overgang bereiken.
Wanneer verder het p-gedeelte
aan de rechterkant, dat collector wordt genoemd, op een negatieve
spanning ten opzichte van de basis wordt gebracht, zullen deze gaten
direct door de collector worden opgeslokt. Zodoende wordt dus een
gatenstroom afkomstig van bet ene type halfgeleider, dwars door een
dunne laag van het andere type getransporteerd.
Dit is het beginsel van de werking van de transistor. Omdat eigenlijk
twee typen mobiele ladingsdragers (gaten en electronen) voor de
geleiding zorgen, noemt men dit type transistor een bi-polaire
transistor.
De eigenschap, dat de
emitter-basis verbinding stroom levert bij een zeer kleine positieve
spanning, welke stroom aan de collector bij een veel grotere negatieve
spanning kan worden afgenomen, impliceert nu de mogelijkheid van
versterking.
Omdat de gatenstroom, die de collector bij niet al te
kleine negatieve spanning bereikt, een verzadigde stroom is, zal deze
slechts zeer weinig door de collectorspanning worden beinvloed (hoge
uitgangsimpedantie).
Net als bij de pentode, waar de anodestroom slechts weinig van de
anodespanning afhangt, kan hier een grote spanningsversterking worden
bereikt door in de collectorketen een geschikte weerstand op te nemen.
Van de emitterstroom Ie zal een deel αIe in de collector doordringen; de
rest, (1-α)Ie, vloeit naar de basis af.
De stroomversterkingsfactor α die in de orde van grootte ligt
tussen 0,95 en 0,99 geeft de fractie van de emissorstroom aan die in de collector terecht komt.
Bij niet te grote Ie is α ongeveer constant. In het vierpoolmodel van de transistor
wordt α de hfb parameter van de transistor genoemd.
Zoals in figuur 8c is te zien, is de basis gemeenschappelijk in zowel
het ingangscircuit als het uitgangscircuit. Daarom wordt deze
schakeling gemeenschappelijke basis- of geaarde basisschakeling
genoemd (common base).
De meest gebruikte schakeling is echter de gemeenschappelijke emitter
schakeling welke gunstigere eigenschappen heeft dan de
gemeenschappelijke basisschakeling.
We bekijken nu, in figuur 9 hiernaast, de schakeling met een n-p-n
transistor en zullen aantonen dat in de configuratie van gemeenschappelijke emitterschakeling (common emissor)
stroomversterking plaats vindt. Voor het moment is Rb en Rc nul.
We zagen eerder bij de gemeenschappelijke basis schakeling dat: IC
= hfb.IE Verder geldt dat IE
= IB + IC
Uit beide vergelijkingen volgt: IC = hfb(IB
+ IC) = hfb.IB + hfb.IC
Dus: IC(1 - hfb) = hfb.IB
IC/IB = hfb/(1 - hfb).
Men noemt nu in het vierpoolmodel van de transistor de term hfb/(1
- hfb) de stroomversterkingsfactor hfe van de
transistor in gemeenschappelijke emitter schakeling.
Veronderstel dat hfb gelijk is aan 0,98 dan is de
stroomversterking hfe dus 0,98/(1-0,98) = 49. We zien dus
dat een aanzienlijke stroomversterking optreedt.
Ter illustratie laten we in figuur 10 nog de Ic-Vce karakteristiek zien van een
veel gebruikte silicium n-p-n transistor type 2N2222A.
We gebruiken daarvoor de gemeenschappelijke emitter schakeling van figuur 9 waarin Vcc 10 Volt
is en de belastingsweerstand Rc 330 Ω is.
Merk op dat we ook hier weer in analogie met de electronenbuis de
belastingslijn kunnen tekenen om zodoende het instelpunt van de
transistor te bepalen.
Verder moet opgemerkt worden dat bij hogere collectorspanningen de
karakteristieken omhoog gaan lopen. Dit komt doordat bij hogere
collector-emitter spanning de hfb (α) niet meer
constant is maar toeneemt en dus ook de hfe sterk
toeneemt.
Nemen we bijvoorbeeld aan dat hfb toeneemt van
0,995 tot 0,996 (0,1%) wanneer Vce toeneemt van enkele Volts tot 10
Volt.
De stroomversterkingsfactor hfe verandert dan van
0,995/(1-0,995) = 200 tot 0,996/(1-0,996) = 250. Een toename van 25% dus.
Voor de volledigheid vermelden we nog dat ook een gemeenschappelijke
collector schakeling mogelijk is.
Op dezelfde wijze kunnen we afleiden dat de stroomversterkingsfactor
hfc = IE/IB gelijk is aan : 1/(1 -
hfb).
Is nu bijvoorbeeld hfb gelijk aan 0,98 dan is hfc
= 1/(1 - 0,98) = 50.
3.7 Hybrid circuits
Een hybid circuit is een schakeling waarbij de componenten, die
ontdaan zijn van hun reguliere behuizing, op een keramische drager gemonteerd zijn. Zo is de transistor een enkel chip, de weerstand
wordt opgedampt en de condensator heeft geen aansluitdraden meer
maar contactvlakken. Daar waar een hoge betrouwbaarheid vereist is,
wordt de keramische drager in een metalen
behuizing gemonteerd, vacuum getrokken en daarna hermetisch gesloten. De aansluitdraden
worden naar buiten gevoerd door middel van glazen doorvoeren (feed
thru).
De foto laat zo'n hybrid zien (1980). Duidelijk zijn de
aansluitdraden van de transistoren en dioden te zien.
Ook zijn de
zwarte opgedampte weerstanden te zien waarbij de streepjes in de
weerstanden laten zien dat deze met behulp van een laserstraal op de
juiste weerstandswaarde zijn getrimd.
Als U op deze hybrid proces link
klikt, verschijnt een specifieke hybrid productie proces flow. Het is
een proces uit 1980 maar het basis proces kan op de dag van vandaag
nog steeds toegepast worden.
De procesflow laat de eigenlijke opbouw van het hybrid zien tijdens
het productie proces.
Op een kaal substraat (aluminiumoxide Al2O3)
worden eerst de goud verbindingen tussen de verschillende
componenten aangebracht. Daarna worden middels enkele
"print" gangen de weerstanden geplaatst. Vervolgens worden
de componenten geplaatst en de chips verbonden. Vervolgens wordt het
hybrid in een behuizing geplaatst, het hybrid verbonden met de
aansluitdraden van de behuizing en het dekseltje met behulp van een
zogenaamde "seam weld" op de behuizing gelast.
Het is duidelijk dat het hier gaat om een hybrid waaraan zeer hoge
eisen ten aanzien van de betrouwbaarheid worden gesteld. Dit hybrid werd dan ook toegepast in een implanteerbare
hartstimulator (pacemaker).
Het is begrijpelijk dat met deze techniek een enorme
ruimtebesparing kon plaats vinden, dit in tegenstelling tot de toen
gebruikte printplaten. Doch, tegenwoordig worden ook de printplaten steeds kleiner
door toepassing van de Surface Mount Devices (SMD).
SMD componenten zijn eigenlijk componenten zonder aansluitdraden maar met contactvlakken waarmee ze op
een printplaat met zo'n zelfde contactvlakken gesoldeerd kunnen worden.
Een verder streven naar miniaturisering leidde uiteindelijk tot het geïntegreerde
circuit.
3.8 Geïntegreerde circuits (IC's)
Een geïntegreerd circuit is een electronische schakeling
die niet zoals vroeger bestond uit discrete losse componenten op een
printplaat, maar waar alle active zowel als
passieve componenten geïntegreerd zijn op een plaatje silicium. Dit
plaatje (chip) kan dan in een passende keramische of plastic behuizing
met aansluitdraden geplaatst worden. Voor massaproductie is het
natuurlijk hoogst onrendabel om steeds losse IC's te maken. Daarom
worden op een plak silicium meerdere identieke geïntegreerd circuits
aangebracht, men noemt zo'n plak een "wafer". Zo kunnen,
afhankelijk van de complexiteit van het IC en de grootte van de
wafer, wel duizenden IC's op een wafer ondergebracht worden die dan
in een keer met dezelfde processen geproduceerd en getest worden.
Een geïntegreerd circuit kan geproduceerd worden met dezelfde
processen waarmee losse transistoren en dioden worden gefabriceerd.
Deze processen omvatten: epitaxiale groei, "masked
impurity" diffusie, oxide groei en oxide etsen waarbij gebruik
wordt gemaakt van fotolithographie.
Hoewel dit vrij complexe processen zijn zal toch
worden geprobeerd deze
processen op een vrij simpele manier te beschrijven. Het gaat er
immers om enig inzicht te krijgen hoe deze kleine componenten met
micro structuren, en zelfs nu met nano structuren, vervaardigd worden en
welke technologieen hier achter zitten.
Nog een goede reden om het simpel te houden is dat de
fabricagestappen en de processen zelf de laatste tientallen jaren
continu veranderd zijn, dit om nog kleinere chips met een nog hogere
betrouwbaarheid te kunnen fabriceren.
3.8.1 IC Technologie
De fabricage van IC's is gebaseerd op gedegen kennis van materialen,
processen en ontwerp principes die allen garant staan voor een
hoogstaande IC technologie.
Voordat we echter de individuele processen gaan bespreken, zullen we
eerst aan de hand van een voorbeeld IC de basisstructuur van dit
geïntegreerd circuit laten zien dit om een beter beeld te krijgen
wat de verschillende processen bewerkstelligen.
De basisstructuur van ons voorbeeld IC, zoals getoond in figuur 12 hieronder, bestaat uit
vier specifieke lagen. De onderste laag (A) bestaat uit p-type
silicium en doet dienst als substraat (drager) waarop het IC wordt
opgebouwd.
Deze laag is in dit voorbeeld 6 mils dik. In de IC technologie is
het gebruikelijk om afmetingen van IC's uit te drukken in mils, zo
is 1 mil = 0,001 inch = 25,4 μm.
De tweede laag (B) bestaat uit 15 μm dik n-type materiaal dat
verkregen wordt door epitaxiale kristal groei op het substraat.
Hoe deze groei plaats vindt, zien we later.
In deze epitaxiale laag worden nu alle actieve en passieve componenten
aangebracht door middel van diverse diffusie stappen.
Deze componenten, welke transistoren, dioden, condensatoren of
weerstanden kunnen zijn, worden verkregen door diffusie van p-type en
n-type verontreinigingen. Bij de fabricage van deze componenten is het
uitermate belangrijk om tijdens het diffusie proces de
verontreinigingen in precies gedefinieerde gebieden te distribueren.
Deze selectieve diffusie van verontreinigingen wordt mogelijk gemaakt
door een laag siliciumdioxide (SiO2) dat een soort barrière
vormt die voorkomt dat verontreinigingen doordringen in delen van
de wafer waar die niet gewenst zijn.
Dit is dus de derde laag (C) in het proces. Deze SiO2 laag
heeft nog een belangrijke functie en wel het beschermen van de wafer
tegen oppervlaket contaminatie.
In die gebieden nu waar de diffusie moet plaats vinden, wordt de SiO2
laag wegge-ets. Om dit selectieve etsen mogelijk te maken, wordt
gebruik gemaakt van een fotolithographisch proces dat later
besproken zal worden.
Uiteindelijk wordt nu een vierde laag (D) aangebracht die bestaat
uit aluminium en zorgt voor de interconnecties tussen de
verschillende componenten. In ons voorbeel bestond het circuit,
zoals de figuur hierboven laat zien, uit een weerstand, twee dioden
en een transistor en vijf aansluitpennen.
Het hierboven beschreven IC wordt een monolithisch IC genoemd omdat
het gevormd is uit een enkele silicium chip. Het woord
"monolithic" is afgeleid van de griekse woorden monos
hetgeen "enkele" betekent en lithos dat "steen"
betekent.
3.8.2. IC Proces beschrijving
In dit hoofdstuk worden de processen beschreven die noodzakelijk
zijn om IC's te produceren.
Figuur
13a tot en met figuur 13e hieronder kunnen geraadpleegd worden om een beter inzicht te
verkrijgen in de processen en wat deze processen behelzen.
3.8.2.1 Substraat fabricage process
Een fijn siliciumkristal wordt op een staaf geplaatst die men
vervolgens in een vat met gesmolten silicium laat zakken waar p-type
verontreinigingen aan toegevoegd zijn. Terwijl de staaf zeer
langzaam onder streng gecontroleerde condities uit het vat wordt
getrokken, groeit deze aan tot een ingot van p-type kristal. De
ingot wordt vervolgens in dunne plakjes (wafers) gezaagd die dan aan een kant
gevlakt en gepolijst worden, dit om oppervlakte oneffenheden weg te
werken.
3.8.2.2 Epitaxiaal groeiproces (zie figuur 13a)
Op het substraat wordt nu een 15μm dikke laag van n-type
materiaal aangebracht. Dit wordt gedaan door gebruik te maken van een
epitaxiaal groeiproces.
Dit epitaxiaal groeiproces bestaat uit de
volgende stappen:
Een precies gedefinieerd mengsel van reactief gas en een laag
geconcentreerd edelgas wordt met een zeer nauwkeurige
stromingssnelheid een reactiekamer binnengeleid waar het bij een
temperatuur van 1200°C over het substraat wordt geleid.
Het gasmengsel bevat, behalve het gewenste n-type doteringsmateriaal,
ook een daarvoor geschikte silicium verbinding zoals
siliciumtetrachloride (SiCl4). De reactieven in het gas
gaan nu een verbinding aan met het oppervlak van het substraat en het
silicium groeit verder aan met de silicium atomen en doteringsatomen
uit het gasmengsel.
De chemische reactie die de epitaxiale groei van puur silicium
beschrijft is de waterstof reductie van
siliciumtetrachloride: SiCl4 + 2H2 <==> Si +
4HCl
De structuur van de aldus gevormde laag is een voortzetting van de
structuur van het oppervlak van het substraat.
De bij-producten van de chemische reacties worden nu uit de
reactiekamer verwijderd. Na polijsten en reinigen van de laag laat men
op het totale oppervlak van de wafer een 0,5μm dikke
siliciumdioxide (SiO2) laag groeien. Dit vindt plaats door
de epitaxiale laag bloot te stellen aan een stoom atmosfeer bij een
temperatuur van 1000°C. Siliciumdioxide heeft de eigenschap dat
het de diffusie van verontreinigingen door het siliciumdioxide
voorkomt. Van deze eigenschap wordt gebruik gemaakt in de volgend
stappen.
3.8.2.3 Isolatie diffusie (zie figuur 13b)
In figuur 13b zien we dat de SiO2 laag op vier plaatsen op
het oppervlak is verwijderd. Dit gebeurt door middel van een
fotolithografisch ets proces voordat de eigenlijke diffusie plaats
vindt. Het resterende SiO2 materiaal doet dienst als een
masker voor de diffusie van p-type verontreinigingen.
Het plaatselijk verwijderen van de SiO2 laag kan men het
best vergelijken met het weg-etsen van koper op een printplaat.
Het totale oppervlak van de wafer nu, wordt ook hier met een
fotogevoelige laag bedekt. Een op schaal vergroote zwart-wit tekening
van het gewenste openingen patroon in het SiO2 wordt nu
gemaakt en fotografisch verkleind. Dit negatief masker met de vereiste
afmetingen wordt nu over de fotogevoelige laag geplaatst en belicht
met UV licht. Op die plaatsen waar het UV licht de fotogevoelige laag
heeft belicht wordt deze gepolymeriseerd.
Opmerking: Bij het steeds kleiner worden van de structuren op de chip zal het
duidelijk zijn dat belichten met UV licht op een gegeven moment niet
meer mogelijk is daar de afstanden van de patronen op de chip de golflengte van het gebruikte
licht benaderen. Dit geeft resolutieproblemen.
Voor afmetingen in het sub-micron gebied past men nog wel de vrij dure
röntgen-lithografie toe.
Een alternatieve oplossing is gebruik te maken van electronenstraal
lithografie (E-beam lithography) waarmee men zelfs direct op de chip
kan schrijven. De nieuwste ontwikkelingen zijn gaande op het gebied
van laser lithografie waar zelfs resoluties van 10 nanometer gehaald
kunnen worden.
Het masker wordt nu verwijderd en de wafer wordt
"ontwikkeld" hetgeen betekent dat met behulp van een
chemisch oplosmiddel de niet belichtte fotogevoelige laag wordt
verwijderd.
De chip wordt nu geheel ondergedompeld in een ets vloeistof die het SiO2
daar weghaalt waar geen fotogevoelige laag meer zit, dus op die
plaatsen waar straks de diffusie moet plaats vinden. Na diffusie van
verontreinigingen wordt de gepolymeriseerde filmlaag
weggehaald met behulp van een chemische oplossing gekoppeld aan een
mechanisch abrasie process.
Het meest belangrijke process in de IC fabricage is het diffusie
proces dat plaats vindt bij 1000°C. Voor de
reproduceerbaarheid van het proces moet deze temperatuur binnen
1 à 2°C constant worden gehouden.
Een mengsel van metaaldamp die de p-type verontreiniging bevat en
een inert gas, stikstof bijvoorbeeld, wordt nu naar de wafer geleid.
De stikstof in het gasmengsel brengt nu de p-type verontreinigings
atomen naar het oppervlak van de wafer waar zij in het n-type
silicium kunnen diffunderen tot zij de p-laag bereikt hebben. Zo
verkrijgen we de drie grijze geïsoleerde n-type gebieden zoals
deze te
zien zijn in figuur 13b.
Deze gebieden worden isolatie-eilandjes genoemd omdat zij gescheiden
zijn door twee "back-to-back" p-n overgangen met het
voornaamste doel een electrische scheiding teweeg te brengen tussen
de verschillende componenten.
Het p-type substraat moet altijd op een negatief potentiaal gehouden
worden ten opzichte van de isolatie-eilandjes, dit om de p-n
overgangen in sperrichting te houden. Als deze p-n overgangen in
doorlaatrichting zouden staan, had de hele isolatie geen enkel
effect.
Het moet nog opgemerkt worden dat de concentratie van het p-type
materiaal in de gebieden tussen de isolatie-eilandjes, in het
algemeen veel hoger is dan in het p-type substraat. Daarom zijn deze
gebieden dan ook aangeduid met p+.
De reden voor deze hogere concentratie is om te voorkomen dat het
depletie gebied van de in sperrichting isolatie-substraat overgang,
in het p+ materiaal doordringt en zo de isolatie zou
"kortsluiten".
Een geavanceerde techniek waarmee ook een gewenste dotering zeer
nauwkeurig kan worden aangebracht is de zogenaamde
ionen-implantatie. Vanuit het oogpunt van procestechniek gezien, is
het kenmerkende van ionen-implantatie dat het een koud proces is dit
in tegenstelling tot het boven beschreven diffusieproces dat
plaats vindt bij een temperatuur van 1000°C.
Dit voordeel gecombineerd met de mogelijkheid zwaarte en profiel van
de dotering goed te definiëren, maakt dat men deze techniek bij
voorkeur toepast voor de fabricage van de modernste hoog-qualitatieve
geïntegreerde schakelingen.
Bij ionen-implantatie wordt de wafer in een geëvacueerde
ruimte gebombardeerd door de in een electrisch veld versnelde
geïoniseerde atomen van het gewenste doteringsmateriaal. Door
de energie van de ionen te regelen kan men nu heel nauwkeurig de
penetratiediepte bepalen.
Ionen-implantatie is een zeer dure techniek die echter voor de
fabricage van MOS schakelingen onontbeerlijk is. MOS staat voor
"Metal Oxide Semiconductor". Deze MOS componenten zullen
later heel even aangestipt worden daar zij vrij markante voordelen
hebben ten opzichte van de transisitor en derhalve heel veel in
digitale schakelingen zoals contollers, micro-processoren en memory
devices gebruikt worden.
3.8.2.4 Basis diffusie
Gedurende dit proces wordt,
zoals eerder beschreven, een nieuwe laag SiO2 over de
wafer gelegd en het fotolythografisch
proces wordt weer gebruikt om het openingenpatroon in het SiO2
te maken zoals aangegeven in figuur 13c.
Door deze openingen worden middels diffusie met p-type verontreinigingen
de anoden van de dioden gevormd, de weerstand en het
basisgebied voor de transistor. Het is belangrijk om de diepte van
de diffusie goed te beheersen zodat deze niet tot in het substraat
doordringt.
3.8.2.5 Emitter diffusie
Weer wordt nu een nieuwe laag SiO2 over het gehele
oppervlak van de wafer gevormd en het fotolythografisch proces wordt
opnieuw gebruikt om gatenpatronen in het SiO2 te maken. Dit
zijn vijf openingen zoals te zien is in figuur 13d.
Door deze openeingen vindt nu diffusie plaats met n-type
verontreinigingen om zo de emitter van de transistor te vormen en
tevens de
kathodegebieden van de dioden. Additionele openingen worden vaak in
de n-gebieden gemaakt om verbindingen te maken (zie W1 en W2 in
figuur 13d). Gedurende de diffusie met fosfor in dit geval, worden
op die plaatsen waar contact met het aluminium verbindingsmateriaal
gemaakt moet worden, vrij sterk geconcentreerde n-gebieden
aangebracht, aangeduidt met n+.
Aluminium is een p-type verontreiniging in het silicium en een grote
concentratie fosfor voorkomt de vorming van een p-n overgang als het
aluminium wordt aangebracht om de doorverbindingen te maken.
3.8.2.6 Aluminium metalisatie
Alle p-n overgangen en de weerstand zijn nu gevormd middels de in
het voorgaande beschreven processen. Nu is het nog noodzakelijk
om de verschillende componenten van het IC met elkaar te verbinden.
Om deze verbindingen te maken wordt nu voor de vierde keer een
gatenpatroon gemaakt in de nieuw aangebrachte SiO2
laag.
De gaten komen op die plaatsen waar verbindingen gemaakt moeten
worden. De gehele wafer wordt nu middels een opdampproces met een
laagje aluminium bedekt en het fotografisch ets proces wordt
gebruikt om de niet gewenste gebieden in het aluminium weg te
etsen zodat het verbindingspatroon volgens figuur 13e wordt
verkregen. Nadat het metalisatieproces is voltooid, wordt de wafer
met een soort diamantsnijder gekrast en gebroken om de individuele chips
te verkrijgen.
Een voorbeeld van een complete wafer is te zien op de foto hieronder
terwijl de inzet een gedeelte van de chip op de wafer laat zien.
Duidelijk zijn de vierkante pads te zien waar de aansluitdraden worden
bevestigd. Ook zijn de scheidingslijnen tussen de afzonderlijke chips
duidelijk te zien.
Verder laat deze chipfoto een iets complexere chip zien waarbij
het hoogstwaarschijnlijk gaat om een microprocessor chip uit de
jaren 80 van de vorige eeuw. De vrij uniforme gebieden in het
centrum van de chip zijn de geheugen elementen van de processor (RAM
en ROM).
3.9 Veldeffect transistoren
De veldeffecttransistor is een halfgeleider component waarbij het
transport van ladingsdragers bepaald wordt door een electrisch veld.
Omdat bij deze componenten de geleiding uitsluitend door
meerderheidsladingdragers plaats vindt, spreekt men van een
unipolaire transistor.
Er zijn nu twee soorten veldeffect transistoren, de "Junction
Field Effect Transistor" afgekort met JFET of gewoon FET en de
"Metal Oxide Semiconductor Field Effect Transistor"
afgekort met MOSFET.
Beide typen zullen nu heel summier behandeld worden om toch het hele
"transistor" plaatje compleet te maken. Bovendien hebben
field effect transistoren enkele markante voordelen ten opzichte van
de bipolaire transistor welke toch het vermelden waard zijn. Deze
voordelen zijn:
1) De werking van de veldeffect transistor hangt alleen af van
meerderheidsladingdragers.
Veel parameters zijn daarom veel minder temperatuur afhankelijk.
2) Fabricage is veel eenvoudiger en schakelingen nemen veel minder
chipruimte in beslag.
3) Hoge ingangsimpedantie in de orde van 1010 Ω.
4) Kan gebruikt worden als een symmetrische bilaterale schakelaar.
5) Door middel van lading opgeslagen in een kleine interne chip
condensator kan de veldeffect transistor dienst doen als geheugen element.
3.9.1 De JFET
De opbouw van een n-kanaal JFET (n-channel JFET) is schematisch voorgesteld in
figuur 14a. Een blokje n-materiaal is voorzien van twee
aansluitingen. Aan de bovenkant van het n-silicium is een laag
p-materiaal aangebracht eveneens voorzien van een aansluiting.
Bij een p-kanaal JFET is het gebruik van de materialen juist
omgekeerd. We zullen hier echter alleen de n-kanaal versie
behandelen.
Als men tussen de aansluitingen van het n-kanaal een spanning
aansluit (zie figuur 14b) kan er in principe een electronenstroom
(meerderheidsladingdragers) lopen. Het kanaaluiteinde waar de
ladingdragers vertrekken noemt men de source en het uiteinde
waar ze afgevoerd worden noemt men de drain.
Het op het n-materiaal aangebrachte p-gebied wordt de gate
genoemd.
We hebben eerder bij de bipolaire transistor gezien dat bij een p-n
overgang rondom de grenslaag een depletiegebied ontstaat, waarvan de
breedte afhangt van de spanning over de overgang.
Tevens weten we dat de laag zich overwegend uitstrekt over het
lichts gedoteerde gebied.
Nu wordt het gategebied relatief zwaar
gedoteerd (p+) hetgeen tot gevolg heeft dat de
depletielaag grotendeels in het kanaalgebied komt te liggen.
Op de overgang (junctie) tussen kanaal en gate wordt bij normaal
gebruik een sperspanning aangesloten (zie figuur 14b).
Beschouwen we nu het geleidingsvermogen van het kanaal in de
richting source-drain. De depletielaag bevat geen vrije
ladingdragers. Dit impliceert dat het voor de geleiding beschikbare
materiaal in feite slechts het deel van het n-gebied is buiten de
depletielaag. Een vergroten van de junctiesperspanning zal dus het
depletiegebied verder vergroten en de geleiding neemt af.
Omgekeerd neemt door een verkleining van de junctiespanning de
geleiding toe. Men is dus in staat om door middel van de spanning op
de gate de stroom tussen source en drain te regelen.
Ten gevolge van de tussen drain en source aangebrachte spanning VDS
is de spanning over de junctie ter plaatse van de drain groter dan
ter plaatse van de source. Met andere woorden, de potentiaal van de
gate ter plaatse van de drain is groter dan ter plaatse van de source
wat resulteert dat de grenslijn van het depletie gebied niet meer
parallel loopt aan de lengte-as van het kanaal maar is gekromd zoals
te zien is in figuur 14a.
Bij een bepaalde combinatie van VGS en VDS zal de
depletielaag bij de drain zich uitstrekken over de gehele diepte van
het kanaal (n-gebied) en kan er geen stroom meer lopen. Men noemt dit
"pinch-off". De spanning VGS ,waarbij bij een
gegeven waarde van VDS pinch-off optreedt, heet de
pinch-off spanning.
Laat men nu VDS toenemen dan zal de stroom sterk toenemen
totdat de verzadigingsstroom is bereikt. Figuur 14c laat de
karakteristiek zien van een n-channel JFET.
3.9.1.1 Fabricage van de JFET
Figuur 15a laat het bovenaanzicht zien van de geometrie van een JFET
terwijl figuur 15b de dwarsdoorsnede laat zien in het vlak AA. Het
substraat bestaat uit p-materiaal waarop epitaxiaal een n-type kanaal
wordt gegroeid.
Een p-type gate wordt nu gevormd door diffusie in dit n-type kanaal
waarbij de p-type gate zwaar gedoteerd wordt (p+)
waardoor de depletielaag gemakkelijk tot in het n-type kanaalgebied
kan doordringen.
3.9.2 De MOSFET
Bij de JFET zagen we dat een electrisch veld tussen gate en kanaal
wordt aangebracht via een p-n overgang. Een wezenlijk ander field
effect device wordt verkregen door gebruik te maken van een gate
electrode die van het kanaal gescheiden wordt door een oxide laag.
Door nu een externe spanning aan te leggen tussen de gate en het
substraat kan het zo ontstane electrisch veld het kanaal beïnvloeden.
We noemen zo'n device een MOSFET welke van veel grotere importantie
is dan de JFET omdat de MOSFET veel kleiner gefabriceerd kan worden,
het stroomverbruik veel lager is en de MOSFET transistor op een veel
hogere frequentie kan werken.
Dit alles is uitermate belangrijk in de tegenwoordige generatie
microprocessoren en geheugen chips.
Er zijn nu twee typen MOSFETs, de "depletion"
MOSFET en de "enhancement" MOSFET. Van beide typen kan er
een p-kanaal en een n-kanaal variant zijn. Men kan dus vier typen
MOSFET transistoren onderscheiden zoals onderstaande figuur laat
zien.
Merk op dat bij de n-kanaal en p-kanaal enhancement MOSFET, de p+
en n+ gebieden volledig zijn geïsoleerd dit in
tegenstelling tot de n en p-kanaal depletion MOSFET. Bij deze
depletion devices zijn de drain en source met elkaar verbonden door
een door diffusie verkregen smal kanaal van hetzelfde type als de
drain en source.
Dit veroorzaakt dat bij een VGS van 0 Volt toch reeds een stroom zal
lopen van drain naar source.
Om het verder eenvoudig te houden zal, wat werking en fabricage van
de MOSFET betreft, alleen de n-kanaal enhancement MOSFET besproken
worden.
3.9.2.1 De n-channel enhancement MOSFET
In rusttoestand, wanneer geen spanningsbronnen aan de MOSFET zijn
aangesloten, vormt het p-substraat met de n+ source en n+ drain een
p-n overgang. Daardoor ontstaat een depletion gebied zoals
aangegeven in figuur 17a hiernaast.
Doordat de drain en source gescheiden zijn door twee back-to back
p-n overgangen, is de weerstand tussen drain en source zeer hoog (1012 Ω).
Wanneer nu een positieve spanning wordt aangelegd tussen gate en
source en nog geen spanning tussen drain en source (zie figuur 17b),
zullen de gaten die zich onder het gate gebied bevinden, dieper het
p-substraat ingedreven worden terwijl voor de electronen juist het
omgekeerde geldt. Vlak onder het gate oppervlak ontstaat daardoor een
zeer dunne laag waarin zich uitsluitend electronen als vrije
ladingdragers bewegen. Men noemt deze situatie "inversie".
Het laagje heeft namelijk het karakter van n-materiaal gekregen.
De gatespanning waarbij er significant een geleidend kanaal ontstaat
wordt de drempelspanning (threshold voltage) genoemd.
Wordt nu tussen drain en source een positieve spanning aangelegd (zie
figuur 17b) dan zal er, tenminste als VGS groter is dan de
drempelspanning, een drainstroom ID gaan lopen. Het is nu
ook duidelijk waar de benaming enhancement MOSFET vandaan komt,
namelijk, als VGS = 0 Volt zal er geen drainstroom lopen.
Waarden van VGS groter dan 0 Volt leiden tot verrijking
(enhancement) van het kanaal. Dit dus in tegenstelling tot het
depletion type MOSFET waarbij er wel degelijk een drainstroom loopt
als VGS = 0 Volt. Door VGS negatief te
maken kan men het kanaal verarmen (depletion) of zelfs helemaal leeg
maken.
Figuur 17c laat de ID-VDS karakteristiek zien
van een n-channel enhancement MOSFET met VGS als parameter.
3.9.2.2 Fabricage van de n-channel enhancement MOSFET
Op een p-type substraat wordt een SiO2 laag gegroeid die
daarna op twee plaatsen door etsen open gemaakt wordt.
Door deze openingen vindt diffusie van n materiaal plaats voor het vormen
van het drain en source gebied. Een dikke laag SiO2 wordt
daarna weer over de chip aangebracht en een tweede ets proces
resulteert nu in 3 openingen in het SiO2. Zie figuur hiernaast.
In de middelste opening, daar waar de gate moet komen, brengt men nu
een heel dunne laag SiO2 aan die dienst doet als de gate
oxide laag. Een derde masker zorgt ervoor dat het oxide weg- geets
kan worden daar waar de source en drain gebieden moeten komen.
Daarna wordt een laag aluminium opgedampt die daarna
plaatselijk wordt weg-geetst om de verbindingen te maken met gate,
drain en source.
De term "metal" in de naam van de Metal Oxide
Semiconductor FET is tegenwoordig enigszins misplaatst. Vroeger was
het gate materiaal inderdaad aluminium maar tegenwoordig is dit
materiaal polysilicon (gekristaliseerd puur silicium). De reden
hiervoor is dat polysilicon de mogelijkheid biedt om zogenaamde
"self-aligned" gates te produceren.
In de conventionele fabricage van een metal-gate MOS is een additionele
masker stap nodig om de gate precies uit te lijnen met de source en
drain die dan al reeds zijn gevormd.
Een overlap van 0,2 mil is vereist om te waarborgen dat de gate zich
uitstrekt van de source naar de drain gebieden. Deze overlap vergroot
echter de capaciteit tussen gate en source maar ook die tussen gate en
drain. Deze capaciteiten verlagen de frequentie waarop het device kan
werken en verhogen het stroomverbruik.
De zogenaamde "self-aligned" MOSFET structuur kan nu dit
probleem grotendeels oplossen. Het idee van de
"self-aligned" MOSFET schuilt hierin dat een
vóór gedefinieerde gate wordt gebruikt als masker voor de
diffusie stappen. De gate wordt dus reeds gevormd voordat de
diffusie van de source en drain plaats vindt, daarna vindt met
hetzelfde masker de diffusie plaats van source en drain.
De grote uitdaging om de "self-aligned" structuur te
kunnen gebruiken is de keuze van het gate materiaal. Om dit te
bepalen moeten we eerst kijken welke doterings technieken ter
beschikking staan. Dit zijn diffusie en ionen implantatie.
Diffusie vereist echter een temperatuur van 1000°C. Hoewel
ionen implantatie kan plaats vinden bij een veel lagere temperatuur
(200°C) zal toch de kristalbeschadiging, die optreedt door de
hoge energie ionen, gerepareerd moeten worden door middel van een
"annealing" proces dat plaats vindt bij een temperatuur
van 800°C. Het tot die tijd (1970-1980) gebruikte traditionele
materiaal aluminium zal echter bij een temperatuur groter dan 500°C
in het gate oxide materiaal diffunderen zodat men op zoek moest gaan
naar een ander gate materiaal. Het bleek nu dat gedoteerd
polysilicon het beste materiaal was omdat het de hoge anneal
temperatuur doorstond en bovendien even gemakkelijk te oxideren
bleek als als silicium.
De dotering van het polysilicon wordt trouwens gedaan om een betere
geleidbaarheid te verkrijgen.
3.9.3 De complementaire MOSFET
Het is mogelijk om p-channel en n-channel enhancement MOSFET devices
op een en dezelfde chip aan te brengen.
Zulke devices worden complementaire MOSFETs genoemd beter
bekend onder de naam CMOS.
De schematische voorstelling van zo'n CMOS device is weergegeven in
figuur 18a hiernaast. Zoals te zien is bestaat het circuit uit een p
en een n-channel MOSFET die zodanig inwendig met elkaar verbonden
zijn dat drain1 (D1) aan drain2 (D2) ligt.
Zo ook zijn de gates G1 en G2 met elkaar verbonden. Op de G1-G2
verbinding wordt de ingansspanning aangesloten waarbij de verbinding
D1-D2 de uitgang van het circuit is. De ingangsspanning kan varieren
tussen 0V en +VDD. Als Vi = 0V zal Q1 gesperd zijn daar VGS1
= 0 Volt. Q2 daarentegen zal volledig geleiden omdat VGS2
gelijk is aan -VDD.
Daar VDS2 = 0V zal de uitgangsspanning Vo gelijk zijn aan
+VDD. Wanneer nu de ingangsspanning Vi gelijk is
aan +VDD zal VGS1 ook gelijk zijn aan +VDD
waardoor Q1 volledig zal geleiden. Daar VGS2 nu gelijk is
aan 0V zal Q2 gesperd zijn.
De uitgangsspanning Vo is dus gelijk aan 0V.
We kunnen dus zeggen dat het hier beschreven CMOS device zich
gedraagt als een inverter.
De transfer karakteristieken van deze inverter zijn opgenomen voor
drie verschillende voedingsspanningen +VDD te weten 5, 10
en 15V en zijn te zien in figuur 18c.
3.9.3.1 De fabricage van de CMOS inverter
Het fabricageproces begint met een n-type substraat waarin door
diffusie een zogenaamd p-well gebied wordt gevormd.
De NMOS transistor Q1 wordt nu gevormd in dit p-well gebied terwijl
PMOS transistor Q2 in het n- substraat wordt gevormd.
Figuur 18b hierboven geeft de structuur op een vereenvoudigde wijze
weer.
In werkelijkheid is deze structuur echter geheel anders, dit om de
zogenaamde CMOS latch-up ten alle tijde te voorkomen.
Met latch-up wordt een toestand bedoeld waarin zowel de p-MOSFET
als de n-MOSFET geleidend zijn. Dit betekent in de meeste gevallen
een complete burn-out van de chip. Hoe kan nu zo'n latch-up
situatie onstaan? Daartoe bekijken we figuur 19a waarin in rood twee
parasitaire transistors Q1 en Q2 getekend zijn. We zien dus dat de
verschillende p en n gebieden in het CMOS device de mogelijheid scheppen om parasitaire
transistoren te vormen. Zo kan de emitter van transistor Q1 de p+
gebieden zijn van de p-MOSFET en de basis van Q1 kan gevormd worden
door het n- substraat. De collector van Q1 wordt gevormd
door de p-well.
Een identieke configuratie kan opgezet worden voor transitor Q2.
Hierin zijn de n+ gebieden van de n-MOSFET de emitter van
Q2 en de basis van Q2 wordt gevormd door de p-well. De collector
tenslotte wordt gevormd door het n- substraat.
De weerstand RN- is de weerstandsverbinding gevormd door
de basis van Q1 en de collector van Q2 naar VDD toe.
De weerstand RP- is de weerstandsverbinding gevormd door
de collector van Q1 en de basis van Q2 naar VSS toe.
Dit hele parasitaire circuit is schematisch voorgesteld in figuur
19b waarin we duidelijk kunnen zien dat latch-up kan optreden door
een spanningspiek op VDD of op punt A. Door deze
spanningspiek zal een zeer kleine lekstroom gaan lopen in de
collector van Q1 die weer als basisstroom dient voor transistor Q2.
Hierdoor zal Q2 gaan geleiden en daardoor Q1 nog verder in geleiding
zal brengen. Dit regeneratieve process zal er uiteindelijk tot
leiden dat VDD met VSS kortgesloten wordt met alle gevolgen van
dien.
Om latch-up te voorkomen kunnen verschillende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden. Eén benadering is de source-drain van het
p-MOS device zo ver mogelijk weg te houden van de p-well. Hierdoor
wordt de versterkingsfactor van Q1 sterk verminderd. Dit is echter
een vrij kostbare oplossing omdat dit ten koste gaat van het chip
oppervlak.
Een tweede benadering is ervoor te zorgen dat de weerstand RN-
en RP- zo klein mogelijk is. Kleinere weerstandswaarden
vereisen immers een grotere stroom om de basis-emitter overgangen
van Q1 en Q2 in doorlaatrichting te bedrijven en voldoende
basisstroom te laten lopen. Deze weerstanden nu kunnen verlaagd worden
door de p-channel MOSFET te omgeven door een zogenaamde n+
guard ring die verbonden is met VDD. Tevens wordt op het
grensvlak met de p-well, door diffusie, een p+ guard ring
aangebracht die met VSS is verbonden. Verder kan nog door
een diepe diffusie van p- materiaal een guard ring gelegd
worden buiten om de p-well heen die verbonden is met VSS
. Dit heeft tot gevolg dat de
collector van Q1 kortgesloten wordt naar VSS en dus geen
basisstroom aan Q2 kan leveren. Het principe van de guard ringen is
weergegeven in figuur 20.
Een andere belangrijke overweging die gemaakt moet worden met
betrekking tot de CMOS technologie is de gevoeligheid voor statische
electriciteit. Statische electriciteit, kan naar gelang de
omstandigheden, varieren van 2 kVolt tot zelfs meer dan 10 kVolt.
Als een CMOS gate hiermee in direct contact komt, bijvoorbeeld door
aanraken van een IC pin, zal het gate oxide gegarandeerd de
vernieling ingaan.
Om dit nu te voorkomen worden alle ingangen van CMOS componenten
door middel van interne protectie dioden beschermd tegen statische
ladingen. Dit neemt niet weg dat toch voorzichtigheid geboden blijft
bij het werken met CMOS devices.
Een geaard polsbandje en het gebruik van geleidende foam of
geleidende plastic als verpakking, is geen overbodige luxe.
3.10 De toekomst van de chip (Ref.
Technisch Weekblad Februari 2008)
Als we de ontwikkeling van de transistor bekijken vanaf het moment
van de uitvinding in 1947 tot de dag van vandaag, moeten we
constateren dat de transistor, en alles wat daarvan is afgeleid, een
enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Gordon Moore, mede-oprichter van chipfabrikant Intel, schreef in
1965 eigenlijk niets bijzonders door te constateren dat de
complexiteit van geïntegreerde circuits tegen minimale kosten
elke twee jaar was verdubbeld en dat er geen reden was om aan te
nemen dat dit de komende tien jaar zou veranderen. Zo kent iedereen
de wet van Moore vandaag de dag als een stelling dat de rekenkracht
van processoren elke twee jaar verdubbeld. De wet gaat al ruim 40
jaar vrijwel perfect op al is hij de laatste jaren veranderd van een
voorspelling in een doelstelling voor de chipfabrikanten.
De onderstaande tabel geeft een indruk van deze ontwikkeling waarbij
opgemerkt moet worden dat de wafer grootte drastisch heeft
toegenomen van 19 mm in 1959 tot 300 mm in 2007.
Het is begrijpelijk dat deze enorme dichtheid van transistoren
zeer hoge eisen stelt aan de apparatuur die de chip fabriceert, de
waferstepper. Een moderne waferstepper werkt grofweg als volgt:
Eerst wordt een dunne plak zuiver silicium van 12 inch (300 mm)
voorzien van een laagje lichtgevoelig materiaal, het zogenaamde
fotoresist.
Via een masker met de volledige lay-out van de chip en een
verkleinend lenzenstelsel belicht een laser de laag fotoresist die
daardoor het patroon van transistoren dat zich op het masker
bevindt, overneemt. Vervolgens verplaatst de waferstepper de wafer
om het proces te herhalen totdat de hele wafer bedekt is met
identieke chips.
Na het aanbrengen van de verschillende lagen en tussentijdse
diffusie stappen is de wafer gereed om opgeknipt te worden in
individuele microchips.
Hoofdstuk 4 Ontwikkeling van
electronische componenten en hun assemblages
In het nu volgende en laatste hoofdstuk zal middels een fotosessie
en beknopte beschrijvingen een beeld gegeven worden hoe de verschillende electronische
componenten en assemblages van die componenten zich in de loop der
tijd hebben ontwikkeld.
Onderdelen waar geen tekst en uitleg bij gegeven is spreken voor
zichzelf.
1 Electronenbuizen
We beginnen natuurlijk met een verzameling oude electronenbuizen.
Geheel links zien we een zendbuis die toegepast werd in een
zogenaamde "vein eraser". Dit was een apparaat waarmee,
door middel van hoogfrequent energie, spataderen "schoon
gebrand" werden. Goed is te zien dat de buizen steeds kleiner
in omvang werden.
2 Weerstanden
Deze foto toont een uitgebreide verzameling weerstanden.
Geheel links een vrij oude koolweerstand in een hermetisch gesloten
glazen buisje. Geheel rechts, moderne Surface Mount Devices (SMD)
weerstanden.
Niet getoond zijn weerstandstypen zoals NTC weerstanden, VDR
weerstanden, draadgewonden weerstanden en variabele weerstanden.
3 Condensatoren
Deze verzameling condensatoren is maar een kleine greep uit een heel
groot scala aan condensatoren.
De drie condensatoren geheel rechts zijn SMD condensatoren.
Wie goed kijkt (tekst staat helaas op z'n kop) ziet dat de bruine keramische condensator geheel
links boven nog een capaciteitsaanduiding heeft in cm (1 cm = 0,9 pF).
4 Elco's
Deze foto toont een verzameling condensatoren die varieert van
een oude eletrolytische condensator (geheel links) tot de SMD
condensatoren rechts beneden.
5 Spoelen
6 Gelijkrichters
7 Relais
8 Light Emitting Diodes (LED)
9 Displays
Links boven is een 7-segment display te zien met ingebouwde segment
driver. Boven in het midden zien we de oude bekende Nixie cijferbuizen van Hewlett Packard en Siemens.
Rechts zien we enkele mooie voorbeelden van zogenaamde VFD displays (Vacuum
Fluorescent Display).
Deze worden vooral toegepast in video recorders, DVD recorders,
magnetrons etc. vanwege hun helderheid en mooi contrast.
10 Kristallen
11 Transistoren
12 TV Beeldbuis Electronenkanon
Hier zien we de ontwikkeling in de TV beeldbuizen, en met name, in
de electronenkanonnen.
Geheel links zien we de klassieke opstelling van de RGB kanonnen in
een driehoekvorm. Deze opstelling
gaf grote convergentie problemen bij de
beeldvorming. Om die problemen sterk te verminderen werden de
kanonnen in een horizontale lijn opgesteld. Dit is op de afbeelding geheel rechts goed te zien.
13 Digitale en Lineaire Integrated Circuits
Deze foto is slechts een kleine greep uit het enorm scala aan
digtale en lineaire IC's. Let op het verschil in assemblage.
De meeste IC's voor "commercial grade" toepassingen zijn
tegenwoordig geassembleerd in een kunststof behuizing.
Maar, daar waar hoge betrouwbaarheidseisen aan de componenten worden
gesteld, zijn de IC's "verpakt" in een keramische behuizing. Zie bijvoorbeeld de op-amp LM324 en de
D/A converter DAC90.
14 Hybride schakelingen
Deze foto laat een overzicht zien van diverse hybride schakelingen.
Geheel links zien we de oude circuit blokken van Philips waar de componenten nog op een pertinax
printplaat gemonteerd werden en ingegoten werden in epoxy of een
ander vulmiddel.
Als we op deze foto klikken zien we een
close-up van deze circuit blokken.
Vandaag de dag worden bijna alle componenten op substraten van
aluminiumoxyde geplaatst.
Klikken we op deze foto, dan zien we een mooie close-up van een
isolatie versterker en een DC/DC converter hybrid waar zelfs een
tranformator op het keramisch substraat werd geplaatst. Rechts op
deze close-up zien we enkele opengewerkte hybrids die in de vroegere
pacemakers werden toegepast.
Dit pacemaker hybrid is toegepast in de eerste dubbelkamer pacemaker van Medtronic
de zogenaamde ASVIP pacemaker. De afkorting ASVIP staat voor Atrial
Sequential
Ventricular Inhibited Pacemaker.
Deze pacemaker is middels twee in het hart ingebrachte electroden in
staat om het ritme van het atrium en ventricle te detecteren. Over
dezelfde electroden kan of het atrium of het ventricle, of zelfs
beiden, gestimuleerd worden.
Normaal wordt het ritme van het atrium bepaald door de zogenaame SA
node (sinoatrial node). Deze SA node triggert de spier van het
atrium welke samentrekt waarna de impuls naar de AV node (atrioventricular node) wordt
geleid. Deze impuls nu bereikt de AV
node met enige vertraging (100-150 ms), dit om het atrium
gecontroleerd te laten samentrekken en het ventricle de gelegenheid
te geven zich met bloed te kunnen vullen. Van de AV node gaat nu een
impuls via de bundel van His naar het ventricle waardoor dit
samentrekt. Nadat alle cellen gerepolariseerd zijn begint de cyclus
weer opnieuw.
Zou nu, door bijvoorbeeld een AV block, de geleiding naar het
ventricle wegvallen, dan wordt dit door de pacemaker gedetecteerd en
zal het ventricle, na een zekere vertragingstijd, door het
ventriculaire output circuit van de pacemaker gestimuleerd worden.
Zou geen signaal van de SA node gedetecteerd worden door de
pacemaker, dan zal het atrium door het atriele output circuit van de
pacemaker gestimuleerd worden waarna, via de natuurlijke vertraging,
het ventricle samentrekt.
Verder moet nog vermeld worden dat alle parameters van de pacemaker
door middel van een programmer via een RF telemetrie verbinding
geprogrammeerd konden worden. Deze programmeerbare parameters
omvatten onder andere atriele en ventriculaire stimulatie parameters, atriele en
ventriculaire sensing parameters, A-V vertagingstijd en diverse
refractaire tijden na atriele en ventriculaire stimulatie.
15 Chip carriers
Deze foto laat zien hoe de afzonderlijke chips in hun behuizing
geplaatst kunnen worden. Deze behuizing noemt men de chip carrier.
Als we op deze close-up foto klikken zien we duidelijk de
aansluitdraden zitten. Helaas zijn wat aansluitdraden bij het losmaken
van de deksel gesneuveld.
16 Single chip microprocessors
De processoren met het glazen venstertje zijn zogenaamde single chip
EPROM microcomputers.
Hierin kunnen applicatie-programma's geprogrammeerd worden die ook
weer met behulp van UV licht gewist kunnen worden zodat de
microcomputer, met bijvoorbeeld een gewijzigd programma, opnieuw
geprogrammeerd en gebruikt kan worden.
17 Microprocessor Peripheral Devices
18 PC Microprocessor en Controllers
Verdere ontwikkeling van de componenten op de foto van paragraph 16 en 17
hebben uiteindelijk geleid tot de realisatie van de eerste processoren en controllers die
in Personal Computers (PC) gebruikt werden.
Klikken we op deze foto deze foto dan zien we de chipset van de PentiumMMX.
Deze foto laat de chipset zien van de Pentium4 en de AMD Athlon
A0850 processor.
19
4kByte ringkern-geheugen
Deze oude ringkerngeheugenkaart van slechts 4kBytes heeft een
afmeting van 28x42 cm.
Vergelijk deze afmeting eens met die van een 2 Gbyte geheugenkaartje
uit een moderne PC.
Hier zie je een detail
opname van de ringkernen.
20 RAM memory
21 EPROM memory
22 Data opslag media
23 Hard disks
Opmerking:
Deze verzameling radio's,
inclusief de componenten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de
ontwikkeling van de electronica, zijn opgeslagen op mijn zolder in
een soort museum.
De foto's hieronder geven
hier een impressie van.
Klik op de foto's om ze vergroot weer te geven.
Hebt U suggesties of vragen aarzel dan niet om een e-mail te sturen
naar de webmaster
|
|